Ik was zestien, we waren aan het basketballen voor de deur. Verderop in de straat liep een torenhoog figuur met donkergrijs gemodelleerde krullen. Bij elke stap bleven de krullen onbewegelijk op zijn hoofd staan. Uit het niets schreeuwde iemand: ‘Beestjes!’ De man (die kinderen uit de buurt logischerwijs de beestjesmeneer noemden) begon te zingen en te dansen.