Ik was zestien, we waren aan het basketballen voor de deur. Verderop in de straat liep een torenhoog figuur met donkergrijs gemodelleerde krullen. Bij elke stap bleven de krullen onbewegelijk op zijn hoofd staan. Uit het niets schreeuwde iemand: ‘Beestjes!’ De man (die kinderen uit de buurt logischerwijs de beestjesmeneer noemden) begon te zingen en te dansen.

Nu ik van woning verander leef ik tussen twee werelden. In mijn hoofd ben ik al bij het nog onbekende uitzicht in Amsterdam wat ik straks te zien krijg als ik wakker word, de nog nooit geroken geur, de nieuwe start. In mijn hart voel ik nostalgie naar de plek waar ik nog steeds woon – want verhuisd ben ik nog niet.