Nu ik van woning verander leef ik tussen twee werelden. In mijn hoofd ben ik al bij het nog onbekende uitzicht in Amsterdam wat ik straks te zien krijg als ik wakker word, de nog nooit geroken geur, de nieuwe start. In mijn hart voel ik nostalgie naar de plek waar ik nog steeds woon – want verhuisd ben ik nog niet.

Ik beschouw mezelf niet als materialistisch en dat durf ik hardop te zeggen. Ik leef naar het credo van Amsterdams grootste – op Ramses Shaffy na  – en donkerste artiest ooit: “Ik spaar geen geld, ik spaar herinneringen.” Herman Brood. Toch maak ik mij wel schuldig aan het fenomeen: gelukkig kopen.

Vroeger wilde ik nog wel eens goede voornemens schrijven. ‘Afvallen,’ schreef ik dan op mijn lijstje. En ‘betere cijfers halen.’ Meestal lukte in ieder geval dat laatste wel, want ik was en ben een ontzettende nerd. Mijn lijstjes waren de lijstjes van een streber: veel doelen om te behalen, weinig tijd voor andere zaken. ‘Minder computeren, minder TV, minder niks doen.’

Op de Berensluis staat een meisje te poseren. De zon schijnt laag en de Westertoren schittert op de achtergrond. Het meisje commandeert. Haar vriendje moet “dáár staan,” precies daar. En dan niet bewegen tijdens het klikken. “Doe nou is niet man, dat bewegen van jou zie je toch terug in de foto. Jezusmina.”

De laatste keer dat ik een verkeerde keuze maakte, was toen ik afgelopen weekend in Londen was. Ik wilde iets lekkers en koos een vanillecakeje uit (dacht ik), maar het bleek een bananen-pindakaascakeje te zijn. Jammer, maar niet bepaald het einde van de wereld. Smaakte prima, al was het alleen niet wat ik in eerste instantie had gewild.

Universiteitscampussen zijn op hun mooist in de herfst. Zo ook de Oudemanhuispoort van de Universiteit van Amsterdam. Op het binnenplaatsje stonden groepjes studenten in wollen jassen te praten terwijl om hen heen de felgekleurde blaadjes van de bomen naar beneden dwarrelden. We warmden onze handen aan bekers koffie die we net hadden gekocht. Ook dat hoort bij de herfst, vond ik.

Columnist Eva Hofman gebruikt de juiste terminologie voor het vrouwelijk geslachtsorgaan. Dat stuit meer dan eens op onbegrip. “Toen ik onlangs in het Stedelijk Museum opmerkte dat een collectie mosselvormige tekeningen wel erg op vulva’s leek, proestte mijn vriendin het uit.”

Vorige week begon de week tegen Eenzaamheid. Op vrijdag overleed Koos Alberts. Toeval? Ik denk het niet. Koos is die volkszanger van: “Hoe zit ‘t met jou, waar ben je gebleven?” en “Ik verscheurde je foto, heb je brieven verbrand. In m’n hart moet ik huilen, maar ik doe nonchalant.” Klinkt redelijk eenzaam. Online ging ik op zoek naar het offline-leven van Koos. Twee jaar geleden werd hij geïnterviewd in het programma De Kist – over de dood en gemis.

Ik ging er even goed voor zitten: de laatste aflevering van RTL Late Night met Humberto Tan. Nog niet zolang geleden was Tan de koning van de kijkcijfers, de prins van het plezier. Jarenlang entertainde hij de entertainers van de commerciële omroep, maar de kijkcijfers namen af, het plezier idem.

Mijn vriendengroep zit vol met krankzinnige types – mijn beste vriend voorop. Je kunt ze stuk voor stuk uren aan psychologisch onderzoek opleggen en er dan nog niet uitkomen waarom ze zo krankzinnig zijn. Maar, het voordeel is: ze zijn vermakelijk krankzinnig. Aaibaar, loyaal en humoristisch.

Daar was het dan: het gat.

‘Ha,’ dacht ik als ik erover hoorde. ‘Dat gaat mij lekker toch nooit overkomen. Net als dat ik vast nooit ga liegen over hoe oud ik ben, of dat ik nooit een kater zal krijgen van langer dan een dag.’