Dutch directness: waarom Nederlanders zo lomp zijn en waar dat vandaan komt

Beeld: Marlies de Baare

Nederlanders nemen geen blad voor de mond en zeggen eerlijk waar het op staat. Althans, zo zien we het zelf graag; het wordt ook weleens opgevat als een beetje onbeschoft. Wat is die Nederlandse directheid precies? Waar komt het vandaan?

Vier Duitsers, een Brit, twee Amerikanen en een Nederlander zitten in een café. Die Nederlander ben ik en we vieren de verjaardag van mijn Duitse vriendin. De Engelse vraagt me wat ik nou van mijn vriendin vond toen ik haar ontmoette. “Nou”, begin ik, “de eerste twintig minuten zag ik het nog niet zo zitten…” Ik wil m’n verhaal doorzetten, maar zo ongeveer de gehele tafel schiet in een ongemakkelijke lach – dat had ik toch wel wat mooier kunnen verpakken. “Dutch directness…”, verzucht mijn vriendin.

Misschien ben ik ook wel een beetje een botte vent, maar het is iets waar we in Nederland sowieso om bekend staan. Wat is dat precies? En waar komt het vandaan?

Communicatiestijlen

“In de culturele psychologie spreken we over directe en indirecte communicatiestijlen”, vertelt Eftychia Stamkou, sociaal en cultureel psycholoog aan de Universiteit van Amsterdam. “Met een directe communicatiestijl zeg je rechtsreeks wat je denkt. In indirecte communicatie vind je verschillende manieren om jezelf uit te drukken, zoals lichaamstaal, toon, enzovoort.” Directe communicatoren gaan ervan uit dat zij degenen zijn die ervoor moeten zorgen dat de ander snapt wat ze bedoelen. Bij indirecte communicatie wordt deze last gedeeld: “Er is dus ook een duidelijke verwachting van degene die luistert om te decoderen wat de ander vertelt.”

Er zijn twee culturele dimensies die volgens Stamkou in het geval van Nederlanders een rol kunnen spelen in de aanwezigheid van een directe communicatiestijl: de dimensies Strakheid-Losheid en Collectivisme-Individualisme.

“Dat Nederland los en individualistisch is, helpt denk ik zeker bij het normaliseren van directheid.”

Eftychia Stamkou

Strakheid-Losheid beschrijft de mate waarin mensen normen volgen en normovertreders straffen. Strakke culturen hechten veel waarde aan normen en het behoud daarvan”, legt Stamkou uit. “Voorbeelden van hechte culturen zijn Korea, Japan en China – hier zie je veel meer controle over expressie, op sociale media en in dagelijkse interacties. Losse culturen hebben een flexibelere houding en zijn sneller bereid normovertreders te vergeven. Mensen hoeven dan niet erg consistent te zijn in hun gedrag en minder na te denken over sociale conventies. Dat geeft meer vrijheid om je uit te drukken. Nederland wordt beschouwd als een behoorlijk losse cultuur.”

“Ik ben opgegroeid in Griekenland, een losse, maar ook meer collectivistische cultuur”, vertelt Stamkou. “Er was dus veel flexibiliteit met betrekking tot regels en normen, maar ook veel aandacht voor wat anderen denken en voelen. Ik ben opgevoed met het idee dat je, voordat je iets tegen iemand zegt, bedenkt hoe ze zich daardoor zullen voelen. Als ze zich erdoor ongemakkelijk zullen voelen of schamen, dan zeg je het niet. Of je zegt het op een indirecte manier.”

Het is in een collectivistische cultuur namelijk belangrijk iemand geen gezichtsverlies te laten lijden. In individualistische culturen is dat minder zo en is er dus minder behoefte aan die indirecte communicatie. Stamkou: “Het feit dat Nederland los en individualistisch is, helpt denk ik zeker bij het normaliseren van directheid.”

Drank, vrouwen en een strenge calvinistische cultuur

Een voorbeeld van hoe zo’n directe communicatiestijl als lomp en beledigend kan worden ervaren, zijn de uitspraken van Jeroen Dijsselbloem in 2017. Als minister van Financiën zei hij over Europese solidariteit met betrekking tot de financiële moeilijkheden van Zuid-Europese lidstaten: “Ik kan niet al mijn geld aan drank en vrouwen uitgeven en vervolgens om bijstand gaan vragen.” Daarop werd hij door Zuid-Europese leiders bestempeld als racist en opgeroepen om af te treden. Dijsselbloem weigerde en maakte geen excuses – hij zei dat zijn opmerkingen nu eenmaal voortkwamen uit “een strenge calvinistische cultuur en Nederlandse directheid.”  

In De Groene Amsterdammer schreef Saskia Pieterse, docent Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht, een korte cultuurhistorie over dat Nederlandse zelfbeeld van ‘verbale directheid en verstandig boekhouden’. Ze vindt de oorsprong bij een historisch relatief zwakke hoofse cultuur. Zo stelde Erasmus in 1508 dat Hollanders een directe manier van spreken hadden als ‘gevolg van culturele doofheid’. In een interview licht Pieterse toe: “Je had in Nederland wel de Oranjes, maar dat was redelijk gedecentraliseerd in vergelijking met bijvoorbeeld Frankrijk. De geschiedenis van verfijning of beschaving gaat altijd gepaard met macht: we gebruiken hoffelijk niet voor niets nog steeds als synoniem voor beleefdheid.”

Historicus Dorothee Sturkenboom bevestigt die analyse. “Dat zie je eigenlijk al sinds de Oudheid, toen de Romeinse dichter Martialis in een berucht geworden epigram het begrip ‘Bataafs oor’ muntte en de Bataven typeerde als langzaam van begrip, gespeend van humor en ‘bot’ – in de toenmalige betekenis van dom.” Erasmus probeerde van een ondeugd een deugd te maken, legt Sturkenboom uit: “De Rotterdammer gaf als eerste een positieve draai aan die ‘botheid’ door die te hertalen als eenvoud en in het verlengde daarvan als eerlijkheid.”

Een koopman met ballen

Niet lomp of bot, maar eerlijk. Dat klinkt al beter. Pieterse beschrijft hoe die verheerlijking van de authentieke, Hollandse directheid gekoppeld werd aan de status van handelsgrootmacht die ons land in de zeventiende eeuw veroverde. Onze directheid was onderdeel van ons succes, zo was de redenatie: wie zich niet te veel bezighield met vleierij maar eerlijk was over de situatie, was een betrouwbare handelspartner. 

Sturkenboom schreef in het boek De ballen van de koopman, over de relatie tussen de Nederlandse identiteit en het ideaalbeeld van de koopman. “De beroepsgroep wist met succes het ideaalbeeld van de Mercator Honestus, de eerlijke koopman, als realistische weergave van de praktijk uit te dragen”, licht Sturkenboom toe. “Door die goede reputatie werd het ook gemakkelijker voor Nederlanders met een andere achtergrond om zich met die handelsidentiteit te vereenzelvigen. Tegen het einde van de achttiende eeuw was dat proces een heel eind voltooid.”

De pretentie van neutraliteit

De directe, eerlijke Nederlander zegt de dingen dus ‘gewoon hoe ze zijn’. Dat impliceert dat er een neutrale plek is om vanuit te beredeneren, wat Pieterse terugzag in de initiële Nederlandse aanpak van corona, de ‘intelligente lockdown’. “Het idee dat wij het vermogen hebben om het midden te vinden tussen totale ontkenning en overdreven, autoritaire maatregelen. Het is iets anders dan botheid, maar het zit wat mij betreft in hetzelfde schuitje omdat het impliceert dat wij een soort neutraal midden bezetten, van waaruit je de wereld kan zien. Dat zorgt er vervolgens weer voor dat je jezelf niet kan bekritiseren op je eigen ideologische positie.”

Die hang naar neutraliteit doet denken aan de uitspraak ‘Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’, een “uitdrukking die wel wordt gebruikt om de Nederlandse volksaard te typeren”, aldus de Van Dale. Normaliteit kan zo in Nederland dienst doen als succesvol politiek frame; zie de winnende VVD-campagne van 2017, met de slogan ‘Normaal. Doen.’.

Die directe communicatiestijl is voor ons lekker, maar misschien niet altijd de meest geschikte.

Maar, wat is normaal? Zijn dingen vaak niet juist een kwestie van smaak, of van waar je prioriteiten liggen? Dat soort vragen heeft Pieterse ook: “Wie bepaalt dan wat normaal is? Dan hoef je het dus niet over machtsposities te hebben, maar is er een soort grondhouding van normaal doen waar je op terug kan vallen.” Ongetwijfeld is ons handelstalent deels toe te schrijven aan een directe communicatiestijl, maar die stijl gelijkschakelen aan neutrale eerlijkheid laat zo vervolgens weinig ruimte voor zelfreflectie.

Die directe communicatiestijl is voor ons lekker, maar waarschijnlijk niet altijd de meest geschikte. Zo is het binnen de diplomatie strategisch gezien misschien slim onze boodschap voortaan wat galanter te verpakken – voor mijzelf geldt dat in ieder geval.

Eindredactie door Rens van der Beek


STEUN NIEUW JOURNALISTIEK TALENT

Red Pers werd vijf jaar geleden opgezet door vier jonge en ambitieuze studenten en is inmiddels uitgegroeid tot een landelijk opleidingsplatform. Het is dé springplank naar een journalistieke carrière.

Wil je ons helpen het medialandschap te vernieuwen door jonge journalisten een stem te geven? Doneer dan nu een flinke kan koffie (€ 5,-), één maandje Zoomen (€ 15,-) of een ander bedrag. Bedankt!


mm