Zeven koffieloze dagen

Foto: Jip Leferink

Koffie is zo’n constante factor in het leven van redacteur Jip Leferink, dat ze zich afvraagt welke rampen er gebeuren als ze ermee stopt. Dat vraagt om onderzoek.

Mijn koffieconsumptie is de afgelopen jaren wat uit de hand gelopen. Op een werkdag drink ik er zo zes tot acht. Een bakkie zwart, een havermelk cappuccino of een dubbele espresso: alles gaat erin. Als ik op een zondagmiddag met mijn huisgenoot in een café zit, wijst ze me erop. Ik heb al drie espresso achter de kiezen, terwijl zij nog aan haar eerste cappuccino zit. “Jij zou geen ochtend zonder koffie kunnen.”

Koffie is niet weg te denken uit ons dagelijks leven. Het is de olie van de machine, die ons alert en energiek houdt. De gemiddelde Nederlander verstouwt zo’n 260 liter per jaar. We staan dan ook op nummer vijf van de grootste koffieconsumenten van de wereld. Die populariteit is niet zo vreemd: cafeïne verbetert de concentratie en prestatie. Maar een te hoge consumptie lijdt tot rusteloosheid, angstgevoelens, slaapproblemen en hoofdpijn: de verschijnselen van lichamelijke afhankelijkheid.

Met tegenwind op de fiets vervloek ik mezelf dat ik met dit experiment ben begonnen

Heeft mijn huisgenoot op het terras gelijk? Kan ik echt niet zonder? Ik vraag me af hoe ik zou functioneren als ik mijzelf een week onthoud van mijn favoriete drank: krijg ik dan ontwenningsverschijnselen? En word ik überhaupt goed wakker? In naam der wetenschap besluit ik de proef op de som te nemen.

Dag één. Ik staar lichtelijk ontdaan naar mijn koffiezetapparaat: hier begint al een aantal jaar steevast mijn dag. Nu zet ik de waterkoker aan om thee te maken. Het drinken van thee in plaats van koffie voelt onbevredigend. Dat is ook niet zo gek volgens Tom Bart, preventiedeskundige bij de Jellinek. “Heel veel aangeleerd gedrag wordt een gewoonte. Het is lastig om een gewoonte te doorbreken. Als je elke dag begint met koffie, en je stopt daar plots mee, dan voelt dat heel gek. Het is een handeling die je mist.”

De echte ontwenningsverschijnselen begin ik pas op dag twee te voelen. Als ik rond 7 uur ’s ochtends met tegenwind op de fiets naar werk zit, vervloek ik mezelf vanuit de grond van mijn hart dat ik met dit experiment ben begonnen. Ik voel me energieloos en duf. Alles wat mijn collega’s zeggen lijkt een halve minuut later pas binnen te komen. Dit sluit aan bij wat Bart zegt: “Je kan een lichamelijke afhankelijkheid opbouwen van cafeïne. Het is niet gek als je dat merkt wanneer je stopt. Veel voorkomende klachten zijn hoofdpijn, vermoeidheid en spierpijn.”

Dag drie: eveneens een moeilijke start. Als ik binnenkom buigt de activiteitenbegeleider van de woongroep waar ik werk zich over me heen. “Zo meissie, jij bent wel toe aan weekend hè! Wat een kleine oogjes heb je!” roept ze door de gang. Als ik mezelf in het toilet bekijk zie ik wat ze bedoelt: ik heb wallen onder mijn ogen en mijn haar staat alle kanten op. Ik zie er op zijn zachtst gezegd nogal verward uit. Na deze constatering wil ik het liefst linea recta naar huis vertrekken.

Om mij heen kunnen mensen het haast niet geloven dat ik een week geen koffie drink. Ook een collega niet: zelf is ze ‘absoluut verslaafd’ aan cafeïne. Bart denkt daar anders over: “Je bent niet verslaafd als je iets veel gebruikt. Je bent pas verslaafd als je een belemmering hebt in je dagelijks leven op meerdere vlakken. Je kan niet meer zonder een middel, fysiek en mentaal. Cafeïne is nooit hinderend in het dagelijks functioneren. Het is niet ongezond, en het zorgt niet voor risicovol gedrag.” Hij voegt eraan toe: “Het woord ‘verslaving’ wordt vaak misbruikt. Alles wat men te veel doet, wordt al gauw een verslaving genoemd. Maar een verslaving is heviger dan een uit de hand gelopen hobby: dit nuanceverschil is heel belangrijk.”

Op zaterdagochtend zet ik gedachteloos de waterkoker aan in plaats van het koffiezetapparaat: mijn nieuwe routine begint zowaar te wennen. De malaise begint nu pas in de middag, wanneer ik met een vriendin op het terras zit. Wat moet ik nu in godsnaam bestellen?  “Bestel gewoon een decaf,” oppert ze wanneer ik mijn overpeinzing met haar deel. Eigenlijk wil ik helemaal geen koffie drinken, ook niet zonder cafeïne. Ietwat beteuterd begin ik aan mijn driehonderdste thee van de week.

Dag vijf en zes vallen me mee: het opstaan in de ochtend wordt makkelijker. Het lijkt alsof ik al een mentale omschakeling heb gemaakt. Wat me ook opvalt, is dat ik me de afgelopen dagen emotioneel gezien wat vlakker voel. Ik voel me rustiger en minder opgefokt. Bart verklaart dat later aan de telefoon: “Cafeïne stimuleert de afgifte van het stresshormoon adrenaline, wat er dus voor zorgt dat je eerder gespannen raakt.”

Op de laatste dag voel ik me opgelucht: een week zonder koffie is me eigenlijk alles meegevallen. Op wat lastige ochtenden en wat dufheid na – de hoofdpijn en trillende handen zijn me bespaard gebleven – heb ik er eigenlijk weinig van gemerkt. Blijk ik toch niet verslaafd aan cafeïne te zijn, zoals ik in eerste instantie dacht. Valt dat even mee: nu kan ik morgen zonder schuldgevoel een achtdubbele espresso achteroverslaan.

Met medewerking van Jan Tourkov


Steun ons!
Vond je dit een goede productie en wil je hier meer van zien? Steun deze redacteur met een kleine donatie voor een kop koffie (€ 2,50), een redactievergadering (€ 12,50) of een ander bedrag!

mm