Viermaal niks: welk toekomstscenario staat de journalistiek te wachten?

Beeld: FullVector | Beeldredactie: Anne Rosenberg

Volgens het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek is de journalistiek in 2035 onherroepelijk veranderd. Redacteur Caspar van de Poel licht deze toekomst aan de hand van vier verhalende scenario’s toe: van een dystopisch medialandschap gedomineerd door big tech, tot een socialistische heilstaat waar de sector de vruchten van plukt.

Het gesprek met de decaan – een norse vrouw van eind veertig, verpakt in een bordeauxrode jurk – verliep moeizaam. Ze had de pik op hem. Logisch, dacht hij bij zichzelf. Hij was ongemotiveerd en zijn cijferlijst daardoor niet bijster indrukwekkend. Toch leek het erop dat hij zou afstuderen.

“Heb je iets van een passie?” vroeg de decaan. Hij moest er langer over nadenken dan hij zou willen toegeven. “Weet ik niet zo goed.” De decaan zuchtte. “Is er iets wat je leuk vond op school de afgelopen jaren?” Ook over die vraag ging hij rijkelijk lang bij zichzelf in beraad, totdat hij voorzichtig wat kon uitstamelen. “Uh… ik vind verslagen schrijven best leuk. En lezen voor Nederlands.” De decaan keek peinzend voor haar uit. Even bleef ze stil. “Communicatie of journalistiek misschien?” Hoe eerder hij instemde, hoe eerder de wederzijdse kwelling klaar was. “Misschien is dat wel wat,” zei hij plichtmatig.

Na afloop van het gesprek gaf de duidelijk opgeluchte decaan hem een hoop papierwerk mee: folders van hogescholen, forse studiegidsen en zelfs contactgegevens van een loopbaancoach. Ook mailde ze hem een document met ‘nuttig leesmateriaal’ over de studies waarvan ze dacht dat hij ze ‘serieus zou overwegen’. Hij had er zijn twijfels bij. Communicatie, wat is dat eigenlijk? Het klonk vaag, abstract en als iets wat saaie mensen zouden studeren – en saai was hij toch niet? Nee, natuurlijk niet. Geen communicatie dus.

En journalistiek dan? Dat klonk concreter, als een echt beroep. Het leek hem aanzienlijk boeiender dan communicatie en misschien had hij er met zijn jonggeleerde cynische houding wel aanleg voor. Hij pakte het document erbij: een reeks lange, chaotische URL’s met summiere beschrijvingen. Eén link was kort: journalistiek2035.nl. Een of andere groep die hij niet kende, het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek, had laten uitzoeken hoe de samenleving en journalistiek er in 2035 zouden kúnnen uitzien. Hij dacht normaal niet langer dan een week vooruit, maar nu had hij de toekomstvisie van een vak voor zich waar hij slechts een vage interesse in had. Ging hij dat echt lezen? Alles om niet nogmaals met de decaan te spreken.

Er bestaat een mogelijkheid dat het over twintig jaar niet beter gaat

Een gitzwart toekomstbeeld

Het onderzoek bestond uit vier mogelijke scenario’s. De eerste – extremes – ging over een journalist die in de metro een fascistoïde figuur interviewde. Een fictief verhaaltje dat dystopisch oogde. De manier waarop de demagoog werd beschreven, deed hem denken aan een politicus waar in het huidige Nederland veel om te doen is: de fictieve fascist sprak over ‘verdunning van de samenleving’, de non-fictieve over de homeopathische verdunning van het Nederlandse volk.

Er bestaat dus een mogelijkheid dat het over ruim twintig jaar niet beter gaat, besefte hij ineens enigszins benauwd. Hij zag mannen en vrouwen in formele kleding dagenlang over progressie praten, hameren op een sterke rechtsstaat en het belang van vrije media benadrukken. Kon het zijn dat al die mooie woorden slechts woorden waren?

Hij las verder in de hoop op bemoedigende frasen te stuiten. Die bleven uit. Het scenario extremes bleek gitzwart: mis- en desinformatie tierde welig, persvrijheid en vertrouwen in de journalistiek taanden, diversiteit en inclusie in de sector waren ‘verregaand gepolitiseerde discussies’ en het medialandschap was onherkenbaar. Hij begreep de verregaande implicaties direct. “Ze moeten gewoon Facebook aanpakken,” mopperde hij. Want dat was de facto het probleem. Dit geschetste plaatje zou zich alleen als realiteit kunnen ontvouwen als big tech niet werd aangepakt; als bedrijven zoals Google, Twitter en Meta de samenleving konden blijven ontwrichten met hun platformen. Hun suprematie leidde onherroepelijk tot polarisatie, onderling wantrouwen, tot drang naar de flanken van het politieke spectrum en extreme geluiden die de overhand kregen. En daar zou de journalistiek zich naar conformeren, besefte hij.

Bubbels met eigen waarheden

Eventjes keek hij appelig voor zich uit. Daarna zocht hij het volgende scenario op. Bubbles, heette die, met een verhaal over een klimaatverandering-ontkennende politicus die vanwege het verspreiden van misinformatie van media-outlets was verbannen – dat kwam hem bekend voor. De toon was minder orwelliaans. Het voelde als reëel en vanzelfsprekend. Big tech was min of meer gereguleerd, geweld tegen journalisten groeide slechts ‘beperkt’ en mediabedrijven bonden zich aan subgroepen – aan bubbels. Dat laatste gegeven leek hem niet helemaal de bedoeling: ieder medium dat zijn eigen staat schepte, met eigen burgers en eigen waarheden.

Geen ontegenzeggelijk, objectief goed nieuws dus. Dat het vertrouwen van burgers onderling ook in dit scenario niet was hersteld, baarde hem zorgen. Meta en consorten werden allicht aangepakt, maar de buren konden niet onaangekondigd door de open achterdeur bij elkaar naar binnen wandelen om koffie te drinken. Dat wantrouwen straalde in negatieve zin af op de sector.

Content is niet meer ‘prikkelend of diepgravend’, las hij. Maar zelfs als passant wilde hij zich geestdriftig kunnen voelen naar aanleiding van journalistiek werk. Al was het maar een Rutger Castricum die een Ella Vogelaar bevraagt.

Journalisten zijn als het ware de hoeders van de democratie

Gedreven door geld en winstbejag

“Nummer drie,” bromde hij enigszins verveeld. Money. Dat leek hem wel wat, want money makes the world go ‘round leerde hij op jonge leeftijd. Hij kon zich er onmiddellijk iets bij voorstellen: een mediasector gedreven door geld en winstbejag. Maar wat zou het effect zijn op de verhalen die werden geschreven? Die konden commercieel gedreven zijn, dat klonk funest voor de onafhankelijkheid van zo’n journalist – want dat was toch belangrijk? Dat werd hem bij maatschappijleer in ieder geval verteld. Het waren hoeders van de democratie, als het ware. Het viel hem op dat er weinig onderling vertrouwen was, in elkaar en in de media, zonder dat big tech was aangepakt. Het verbaasde hem. “Positieve neveneffecten van een nieuwe bestuurscultuur?”

Terwijl hij het een prettig idee vond dat mensen elkaar niet per se meer haatten, was ook het money­-scenario geen goednieuwsshow. Big tech was niet aangepakt waardoor mis- en desinformatie nog altijd prevalent waren. Politieke uitersten konden via sociale media de grootst mogelijke kul richting hun achterban schreeuwen en werden door algoritmes gefaciliteerd. Dat was hem een doorn in het oog – ook al speelden journalisten een actieve rol in het ontkrachten van nepnieuws.

Een tijdje terug zat hij op zijn moeders computer, waar geen advertentieblokkeerder op zat geïnstalleerd. Het was een waar mijnenveld, de crypto-advertenties vlogen hem om de oren, net zoals klassieke ‘Deze vrouw verdient €10.000,- per maand vanuit huis!’-oplichtingspraktijken. Hoe vind je daar je weg als je niet digitaal vaardig bent, in een steeds verder digitaliserende wereld die niet gereguleerd wordt? Hij dacht aan zijn ouders.

In deze wereld is het vertrouwen dat burgers in elkaar, de maatschappij en de media hebben in ere hersteld

Grenzen bepaald door de overheid

Nog één scenario. Careful heette de laatste. Hij begreep al snel waarom. In deze haast utopische wereld was het vertrouwen dat burgers in elkaar, de maatschappij en de media hadden in ere hersteld. Daarnaast was de macht van big tech vrij effectief ingeperkt: er waren wetten omtrent datamining en microtargeting, plus strenge eisen om de verspreiding van mis- en desinformatie te beperken. Zou dat betekenen dat filterbubbels werden lekgeprikt? Het klonk haast te mooi om waar te zijn.

De sector was diverser geworden en er werd rekening gehouden met de beperkte digitale vaardigheid van ouderen zoals zijn moeder. Hoewel zijn moeder pas 45 was, noemde hij haar al jaren (half) grappend oud, iets waar ze samen smakelijk om lachten. Aan haar intellect twijfelde hij niet, aan haar digitale competenties wel.

Even was hij opgelucht. Het laatste scenario klonk als een realiteit waarin hij best wilde leven, werken zelfs. Het voelde als een socialistische heilstaat, en daar was hij stiekem best content mee. Tot de laatste zin: “De overheid stelt daarnaast scherpe grenzen aan wat wel en niet betamelijk is in het maatschappelijke debat (vanuit een ruim gedefinieerd schadebeginsel) en eist van de platformen dat zij toezien op de naleving.” De moed zonk hem in de schoenen. In zijn droomsamenleving bestond een overheid die de informatievoorziening controleerde, die voor haar burgers bepaalde wat wel en niet betamelijk was. Natuurlijk waren er grenzen, maar die grenzen zouden door de maatschappij bepaald moeten worden, niet door de mensen in formele kleding.

Mismoedig klapte hij zijn laptop dicht. ‘Het zijn maar scenario’s,’ zei hij tegen zichzelf. ‘De toekomst kan op duizend andere manieren geschapen worden.’ Maar zijn poging tot optimisme was tevergeefs. Gedesillusioneerd begon hij met het opstellen van een mailtje aan de decaan. “Heeft u nog andere ideeën?”

Met medewerking van Lucca de Ruiter

Op de website van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek worden vier radicale maar plausibele scenario’s gepresenteerd van de wereld in 2035. Deze scenario’s geven ieder een antwoord op de vraag: ‘Hoe ziet de journalistiek er in Nederland uit in 2035?’ De scenario’s zijn ontstaan door uit te gaan van verschillende antwoorden op twee bepalende vragen: worden techbedrijven en data wel of niet effectief gereguleerd? En vertrouwen burgers elkaar binnen de samenleving of is er sprake van onderling wantrouwen?


Steun ons!
Vond je dit een goede productie en wil je hier meer van zien? Steun deze redacteur met een kleine donatie voor een kop koffie (€ 2,50), een redactievergadering (€ 12,50) of een ander bedrag!