Waarom een divers medialandschap ook voor jou erg belangrijk is

media-pluformiteit Beeld: Marie van der Donk

Het is belangrijk dat lezers kunnen kiezen uit zoveel mogelijk kranten en tijdschriften. Maar stel dat die – zoals nu – allemaal in handen zijn van een handjevol machtige bedrijven? Wat kan er dan gebeuren? In deel één van een drieluik over mediapluriformiteit legt redacteur Caspar van de Poel uit wat dit begrip inhoudt en waarom het relevant is.

Voor zover mij heugt wisselen mijn ouders voortdurend van krantenabonnement. Eerst hadden ze lange tijd NRC, toen ineens Trouw en nu – volgens mij, als het niet wéér is veranderd – de Volkskrant. Daarnaast nemen ze soms het AD of De Telegraaf mee van de kiosk, al is dat deels vanwege de uitgebreide sportkaternen. Ook kopen ze sporadisch een tijdschrift of nemen ze een proefabonnement, bijvoorbeeld op De Groene Amsterdammer. En tot slot bladeren ze steevast loyaal door het lokale krantje, in hun geval De Stad Amersfoort.

Dat ze kunnen kiezen uit zoveel nieuwsmerken is geen luxe. Het is wat je ‘mediapluriformiteit’ noemt. Die bestaat uit twee types, vertelt Edmund Lauf namens het Commissariaat voor de Media (CvdM), een zelfstandig bestuursorgaan dat de Mediawet handhaaft en als mediatoezichthouder fungeert. De soorten pluriformiteit waar hij het over heeft, zijn interne en externe mediapluriformiteit. Interne pluriformiteit – of “viewpoint diversity”, zegt Lauf – is verscheidenheid in berichtgeving binnen een medium: hoeveel verschillende culturele groepen, meningen, ideologieën en opinies worden er vertegenwoordigd? Het gaat dan de facto om de variatie van de content. Bij externe pluriformiteit draait het juist puur om de hoeveelheid verschillende aanbieders, eigenaren, bestuurders en onafhankelijke redacties in een medialandschap. “Media diversity”, noemt Lauf dat. En voor beide vormen van verscheidenheid geldt: hoe meer, hoe beter.

Drie spelers

Stel je voor dat een complex onderwerp, zoals immigratie of Europese politiek, eenzijdig wordt belicht. Vanuit uitsluitend een linkse of uitsluitend een rechtse invalshoek. Dan kan een schijnrealiteit ontstaan waarin maar één kant van het verhaal wordt verteld. Dat heeft gevolgen voor de publieke opinie en uiteindelijk ook voor politieke keuzes. En dat niet alleen, volgens Lauf is het cruciaal dat iedereen in contact komt met een gevarieerd palet aan meningen, viewpoints en analyses. Want “alleen zo kan je een gefundeerd eigen oordeel en een eigen opinie vormen,” vertelt hij.

Wat zijn de gevolgen van weinig media diversity? Momenteel zijn we in Nederland druk bezig dat in levende lijve te ondervinden. Lauf: “Het basisidee is dat je altijd drie grote spelers in iedere tak van media nodig hebt om genoeg pluriformiteit te garanderen.” En dat is in Nederland niet meer het geval. Op de Nederlandse radio- en televisiemarkt zijn nog wél minimaal drie grote bedrijven actief, inclusief de publieke omroep. Maar op de dagbladenmarkt niet meer. Want hoewel mijn ouders uit tal van kranten kunnen kiezen zijn die veelal het bezit van twee bedrijven: DPG Media en Mediahuis, beide Vlaamse organisaties. Het marktaandeel van de twee is “tussen de 90 en 95 procent van de totale oplage”, stelt Lauf.

Ga het maar na. NRC? Mediahuis. De Volkskrant? DPG Media. De Telegraaf? Mediahuis. Het Parool en Trouw? DPG Media. En regionale titels dan? Mediahuis bezit De Limburger, het Noordhollands Dagblad, De Gooi- en Eemlander, het Haarlems Dagblad en het Leidsch Dagblad. En DPG Media beschikt over het Algemeen Dagblad en de bijbehorende regionale titels. Het is niet voor niets dat de Nederlandse dagbladenmarkt regelmatig een ‘duopolie’ wordt genoemd.

Groeiende mediaconcentraties

Het potentiële gevaar van deze blokvorming voor de nieuwsvoorziening? Dat bepaalde onderwerpen onderbelicht blijven, omdat er maar twee uitgevers zijn – weinig viewpoint diversity. Zo kan een uitgever besluiten te bezuinigen op redacties, waardoor er minder geld is voor kwaliteitsjournalistiek. Ook belangenverstrengeling kan een rol spelen. Stel je voor dat er een integriteitsschandaal is bij Trouw. Kunnen journalisten van andere DPG-titels, zoals de Volkskrant of Het Parool, hier dan wel over schrijven? Of wordt er dan van bovenaf vriendelijk verzocht dit niet te doen? Redactiestatuten beschermen journalisten en garanderen onafhankelijkheid, maar toch: don’t bite the hand that feeds you.

Dat deze concentratie begon op de dagbladenmarkt is geen verrassing. Kranten hadden rond de eeuwwisseling moeite met digitaliseren. Advertentie-inkomsten daalden en oplages gingen achteruit. Overnames waren soms simpelweg noodzakelijk om te overleven als titel. Maar ook Nederlandse wetgeving speelde een rol in deze opeenhoping van uitgeverijen, vertelt Lauf. Uitgevers wilden blijven groeien, niet alleen op de dagbladenmarkt, maar ook multimediaal. Audiovisuele media overnemen dus. Regelgeving verbood dit echter, om té grote mediaconcentraties te voorkomen. Dit ging goed tot 2007, toen werd cross-ownershipregelgeving versoepeld, waarna grote uitgevers ook radio- en televisiestations mochten kopen.

En in 2011 werd bovendien de Tijdelijke wet mediaconcentraties geschrapt. Weet je nog, Laufs basisidee dat er in iedere tak van media minimaal drie grote spelers moeten opereren? Deze wet garandeerde dat. Het gevolg lijkt vanzelfsprekend, mediaorganisaties werden massaler. Zeker DPG lijkt nog niet klaar met uitdijen: het mediabedrijf wilde RTL Nederland overnemen. RTL Nederland koos uiteindelijk voor een fusie met mediaconglomeraat Talpa. Als deze samensmelting inderdaad doorgaat, dan krijgt één bedrijf bijna alle commerciële televisiezenders in handen  – en wat dit doet met de media diversity is zeer de vraag.

Wat Lauf tot slot verbaast: “de wetgever heeft geen beperkingen voor buitenlands eigendom op de mediamarkt ingevoerd”, regels die in meerdere Europese landen wél bestaan. In Nederland zorgt dit voor een ongelijk speelveld. Want, geloof het of niet, giganten zoals DPG Media en Mediahuis hebben recht op een overheidsbijdrage in België. Het bezorgen van dagbladen wordt in België namelijk gesubsidieerd. Volgens Follow the Money besparen beide concerns hierdoor op jaarbasis 32 miljoen euro. Verder zijn kranten in België ook nog eens vrijgesteld van btw, dat levert DPG en Mediahuis een tweede voordeel op, schrijft Follow the Money. De hoogte van deze ‘meevaller’? Tussen de 120 en 190 miljoen per jaar.

Groeiende uniformiteit

Pluriformiteitsvraagtekens staan niet alleen bij de dagbladenmarkt, ze gelden ook voor de Nederlandse persbureaus, vertelt Lauf, verwijzend naar een onderzoek van de Mediamonitor uit 2009. Het Algemeen Nederland Persbureau (ANP) is het enige noemenswaardige persbureau van Nederland – en daar zit meteen de crux. Het persbureau werd vorige maand overgenomen door investeerder Chris Oomen. Aan de Volkskrant vertelt hij: ‘Ik heb het ANP niet overgenomen om er iets mee te verdienen. Ik wil er zeker van kunnen zijn dat er altijd één club is die feitelijk en onafhankelijk is en zich verre houdt van fake news.’

Oomen ziet ANP als hoeksteen van de Nederlandse journalistiek, een claim die wordt bevestigd door Laufs aangehaalde onderzoek: van de 57.129 onderzochte nieuwsberichten en achtergrondartikelen die in kranten werden geplaatst van 2006 tot en met 2008, vond maar liefst 16,3 procent zijn oorsprong bij het ANP. Althans, dat was het percentage waarbij ANP duidelijk als bron vermeld werd; iets wat niet alle dagbladen deden, waardoor het absolute aantal hoger ligt. Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek interviewde onlangs Freek Staps, de hoofdredacteur van het ANP. Hierin werd duidelijk dat een gemiddeld ANP-bericht door acht media gedeeltelijk wordt overgenomen – groot nieuws soms door wel dertig titels.

Het is logisch dat ANP inmiddels invloedrijker is. Niet per se door toedoen van het persbureau zelf, maar vanwege de zeitgeist. Lauf: “Tegenwoordig moet alles snel, zeker online. Als het de behoefte van de gebruiker is om in vijftien seconden een nieuwsbericht te lezen en de kern te snappen, dan vraag je ook om korte ANP-berichtgeving, ook bij kwaliteitskranten.” Met andere woorden: de verantwoordelijkheid voor diversiteit ligt óók bij de gebruiker. Als de consument niet bereid is om langere kwaliteitsjournalistiek te lezen dan is het logisch dat berichtgeving zich hieraan adapteert – en dus uniformer wordt. Gunstig voor het ANP dat het steeds vaker als bron dient, maar het is funest voor Laufs viewpoint diversity.

Toen ik journalistiek studeerde werd het erin geramd: lees meerdere kranten! Want, werd beargumenteerd, iedere titel heeft een ietwat andere ideologische insteek en doelgroep. En zo kom je in contact met veel opinies en invalshoeken. Maar wat als die titels steeds meer op elkaar lijken? Omdat ze wellicht onder dezelfde uitgever vallen of omdat ze hun nieuws van hetzelfde persbureau krijgen? In theorie zou één medium je ál deze verschillende viewpoints kunnen bieden, erkent Lauf. Dus één kwaliteitskrant die alle voors en tegens, opinies en invalshoeken belicht. Helaas bestaat deze niet. Daarom ben je dus wel degelijk aangewezen op meerdere titels voor een divers mediadieet – en juist daarom is mediapluriformiteit zo belangrijk.

Dit was deel één van de drie in een reeks over mediapluriformiteit. Weten wat de gevolgen van weinig mediapluriformiteit (kunnen) zijn? Dat wordt besproken in deel twee.

Met medewerking van Detlev Hiep.


Steun ons!
Vond je dit een goede productie en wil je hier meer van zien? Steun deze redacteur met een kleine donatie voor een kop koffie (€ 2,50), een redactievergadering (€ 12,50) of een ander bedrag!