De Voorzet: het rechtsbuitenbeentje van Oranje

Beeld: Micky Dirkzwager Beeld: Micky Dirkzwager

In aanloop naar het Europees kampioenschap voetbal schreef Danielle Kliwon elf weken lang over de elf posities in het elftal. Ze bekeek het huidige team en haalde herinneringen op aan de Nederlandse spelers van weleer, zoals Van Breukelen, Rensenbrink, en Krol. Morgenavond treedt Oranje voor het eerst dit toernooi aan, tegen Oekraïne, en dus kijkt ze voor een laatste keer naar het elftal. Deze week: de rechtsbuiten.

Waar normaliter half Nederland al bezweken zou zijn aan de Oranjekoorts, is het dit jaar nog tamelijk rustig. De afgelopen weken leken de escapades van bondscoach Frank de Boer spannender: spelers via de app mededelen dat ze zijn afgevallen, Promes verwarren met Menig en dogmatisch vasthouden aan een tactiek waarvan hij weet dat het niet de beste is. Ook het wel of niet laten vaccineren van Wout Weghorst, Matthijs de Ligt en Memphis Depay was het gesprek van de dag. De oranje versierde straten leken net zo ver achter te blijven als onze titelkansen, een enkele Oranjegezinde straat daargelaten. Ook al vindt het toernooi (gedeeltelijk) plaats in eigen land, ontsnap je niet aan de Oranje commercials – nondeju! – en spelen we morgenavond onze eerste wedstrijd, EURO 2020 lijkt nog niet helemaal te leven. Niet zoals voorgaande toernooien.

Dat heeft waarschijnlijk ook te maken met het feit dat we inmiddels een heel jaar verder zijn. Afgelopen zomer had ik er zin in, had heel Nederland er zin in. We zouden met de hele straat EK-feestjes organiseren en in de binnentuin de wedstrijden kijken op een geïmproviseerde beamer met ijskoude corona’s en wuppies. Maar bij wuppies denk ik nu aan wappies en het Mexicaanse biertje… Na meer dan een jaar weten we het inmiddels wel.

Op papier spreekt men nog steeds van EURO 2020, maar de realiteit is heel anders. De poule is hetzelfde, de spelers – op een enkeling na – ook, maar toch voelt alles anders. Alleen aan de coach kan het niet liggen. Iets met werkelijkheidsbeleving en fantasie? Het is vergelijkbaar met de rechtsbuiten van Oranje: op papier is die er wel, maar de realiteit? Die is heel anders.

Wanneer we het hebben over rechtsbuitens, zijn de eersten die in mijn hoofd opkomen twee Ajacieden: Dennis Bergkamp en Sjaak Swart. Maar Mister Ajax heeft nooit een eindtoernooi met Oranje gespeeld – hij scoorde wel tien keer voor het vaderland. En hoewel Bergkamp als valse rechtsbuiten het de Brazilianen moeilijk maakte tijdens het WK van 1998, is het niet echt zijn stek. Hij speelt veel liever centraal, en draait vaak naar binnen om de ruimte in het midden te benutten. Langs de lijn spelen en voorzetten naar het midden geven? Nee, dat liever niet. 

Ook John van ’t Schip, Ajacied en rechtsbenige aanvaller, voldoet niet aan de eisen. In Amsterdam bezette hij tien jaar lang de flank en maakte hij daar furore, maar in Oranje kwamen de kwaliteiten van de rechtsbuiten niet echt tot uiting. Ondanks zijn 41 interlandoptredens speelt hij welgeteld vijf maal mee op een eindtoernooi – waaronder de met 1-2 verloren groepswedstrijd tegen de Sovjet Unie in 1988. Een rechtsbuiten met impact in Oranje zou ik hem dan ook niet willen noemen. Op papier, ja, maar in het veld… Niet echt. 

Hetzelfde geldt voor Johnny Rep. Het Goudhaantje was als spits beslissend voor Ajax, en maakte bij Oranje deel uit van het trio Rensenbrink-Cruijff-Rep. Hij kwam gedwongen vanaf rechts, zo stond het ook op papier, maar een rechtsbuiten was het niet. Hoogstens een rechtsbinnen. 

Rechtsbenige vleugelaanvallers die écht rechtsbuiten zijn geweest bij Oranje? Die zijn met een lantaarn te zoeken. Frank Wels is er eentje. Het vooroorlogse voetbalicoon werd geboren in 1909, toen voetbal in Nederland nog amateuristisch was en de KNVB alle vormen van professionalisering tegenwerkte. Hij was de zoon van een slager, en met zijn 1,63 meter klein van stuk. Zijn vader wilde absoluut niet dat hij voetbalde – het werd de kleine Wels verboden –, maar de balgoochelaar speelde weleens in de buurt partijtjes tegen andere buurtkinderen. Dat ging niet onopgemerkt. Slager Brobbel Dorsman, de baas van Wels vader en fervent aanhanger van voetbalclub Unitas, gaf het gezin een keus: of Wels kwam voetballen bij Unitas of Dorsman ontsloeg zijn vader. 

Zes jaar later maakte Wels zijn debuut in Oranje. Hij speelde nooit hoger dan de Tweede Klasse, maar was jarenlang verzekerd van een basisplaats. De rechterflank op het veld was van hem en die beliep hij dan ook met verve. De voorzet die leidde tot de vallende kopbal van Beb Bakhuys – soortgelijke kopballen heten sindsdien ook ‘bal à la Bakhuys’ – kwam van zijn voet, en tussen 1931 en 1938 was hij de beste rechtsbuiten van Nederland. Op papier en op het veld.

Na Frank Wels blijft het heel lang stil op de rechtsbuitenpositie. Een echte rechtsbuiten vinden we niet in ’74, ’78 en ’88. Althans, niet constant. Op 30 april 2003, echter, is daar Arjen Robben.

Volgens mijn vriend is Robben het beste exportproduct van Nederland ooit. Een linksbenige voetballer die graag op rechts speelt. “Kijk, dát is nou een echte rechtsbuiten,” zegt hij vol overgave als we weer eens het EK van 2004 terugkijken. De EK’s van 2008 en 2012 heeft hij ook op dvd, maar die kijkt hij liever niet. De onnodige rentree van Robben bij FC Groningen afgelopen seizoen daargelaten, ben ik het met hem eens. 

Robben was een frisse wind op de rechterflank bij Oranje. Hij schoot het Nederlandse team eigenhandig naar de halve finale op het EK van 2004 en de pers kwam superlatieven tekort. De Messi van Oranje, noemde Peter Hoekstra hem: “Robben kan in z’n eentje wedstrijden beslissen, heeft de gave langs een halve verdediging te gaan en te scoren.” Hij was tijdens zijn glansrijke carrière aanvoerder van Oranje, Bronzen Bal-winnaar en Sportman van het Jaar.” Arjen Robben is niet alleen de beste Nederlandse voetballer van deze eeuw, hij is ook de meest hartstochtelijke, meest onvoorwaardelijke, meest bezeten topsporter uit onze voetbalgeschiedenis,” zo beschreef Sjoerd Mossou hem. En dat alles ondanks een tegensputterend lichaam en zijn linkspotigheid, op die fabelachtige rechterflank.

De linksbenige rechtsbuiten Robben, de vooroorlogse balgoochelaar Wels en een hele hoop net-niet spelers: de rechtsbuitens van Oranje. Het zou net zo goed een historische mythe kunnen zijn, vergelijkbaar met koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel. Dat ze hebben bestaan wil ik best geloven, maar de historiciteit staat niet vast. Hetzelfde geldt voor de rechtsbuiten van Oranje. In de 5-3-2 van bondscoach De Boer is er niet eens ruimte voor een. Niet op papier en niet op het veld. Wel op de bank overigens, in de vorm van Steven Berghuis. Maar of dat nou de juiste keus is? We zullen het morgenavond zien.

Met medewerking van Detlev Hiep


Steun ons!
Vond je dit een goede productie en wil je hier meer van zien? Steun deze redacteur met een kleine donatie voor een kop koffie (€ 2,50), een redactievergadering (€ 12,50) of een ander bedrag!