Waarom de European Press Prize dit jaar belangrijker dan ooit is

Beeld: Roos Vervelde Beeld: Roos Vervelde

Op 3 juni aanstaande wordt de European Press Prize uitgereikt: een jaarlijkse reeks onderscheidingen om Europese kwaliteitsjournalistiek te stimuleren en erkennen. Initiatiefnemer Yoeri Albrecht legt uit waarom de prijs zo belangrijk is in een tijd waarin de Europese pers onder druk staat.

De European Press Prize werd in 2012 opgericht door een aantal vooraanstaande Europese mediaorganisaties, zoals The Guardian Foundation, Thomas Reuters Foundation en Vereniging Veronica. Dit gebeurde in hartje Amsterdam: in de Grote Zaal van instituut De Balie, waar het idee van de prijs ontstond. Ook de uitreiking vond hier al tweemaal plaats, in 2013 en 2017.

De Press Prize is niet één prijs, er zijn vier categorieën waarvoor journalistiek werk genomineerd kan worden: investigative reporting, distinguished reporting, opinion en innovation. Overstijgend werk, dat niet slechts één verhaal betreft maar een oeuvre, trend of individu, maakt kans op de special award. Hierin zijn juryleden vrij om een persoon of organisatie te belonen. De winnaar in iedere categorie wint méér dan een schouderklopje, namelijk ook nog eens tienduizend euro aan prijzengeld.

De noodzaak om Europese journalistiek in een positief daglicht te zetten is urgenter dan ooit. Zeker in Oost- en Centraal-Europa is de persvrijheid eroderende. In landen als Polen, Hongarije en Wit-Rusland is werken als journalist potentieel levensgevaarlijk. En ook in Nederland lijkt sprake van een neerwaartse trend. Op de persvrijheidsindex van Reporters Without Borders zakte Nederland dit jaar buiten de top vijf, terwijl het in 2016 nog op de tweede plaats stond. De redenen? Gebrekkige toegang tot overheidsinformatie, inlichtingendiensten die journalisten in de gaten houden en toenemende agressie jegens journalisten – de index noemt expliciet het feit dat de NOS logo’s van haar busjes haalde door toenemende intimidatie.

Europese lacune

Initiatiefnemers van de award waren onder andere Stichting Democratie en Media en Vereniging Veronica. “Er was meteen enthousiasme,” vertelt Yoeri Albrecht, bestuursvoorzitter van Vereniging Veronica en directeur van De Balie. Volgens hem was er een ‘lacune in het Europese perslandschap.’ “We hoopten dat aandacht voor Europese journalistiek tot een klimaat kon leiden waarin kwaliteitspers meer gewaardeerd wordt. We wilden onbekende parels uit heel Europa in het zonnetje zetten.” Daarom kan iedereen zijn journalistieke werk naar de Press Prize sturen: van freelance journalisten tot supranationale onderzoekscollectieven. De enige voorwaarde is dat een journalist een Europees paspoort heeft of werkt voor een Europees medium. Een comité van internationale journalisten bepaalt vervolgens welke verhalen op de shortlist komen. Deze worden vertaald, waarna een jury de genomineerden en uiteindelijke winnaars kiest.

Eén van die genomineerden is Ties Gijzel, met zijn project Money to Burn: een internationaal, multimediaal onderzoekscollectief over houtkap in Estland dat in meerdere talen is gepubliceerd. De bevindingen? In het Baltische land hebben bossen ‘puur een economische waarde’. Gezonde bomen worden gecategoriseerd als resthout, waardoor ze gekapt worden en tot pallets verwerkt. Deze pallets worden in heel Europa gebruikt voor biomassa om duurzaamheidsdoeleinden te halen – en dit alles wordt ook nog eens gesubsidieerd door Europese overheden. Gijzel: “We hebben veel met satellietbeelden van bossen gewerkt. Daarna moesten we op de grond verifiëren of het bos inderdaad weg is, of dat er kleine boompjes waren bijgeplant.” Het team maakte gebruik van open-source intelligence, zoals data van Global Forest Watch. Money to Burn is dan ook voor de innovation award genomineerd.

Journalistieke solidariteit

Hoewel persvrijheid in Centraal- en Oost-Europa geen gegeven is, werden Gijzel en zijn team in Estland niet tegengewerkt. “Wel zijn onze Estse bronnen online aangevallen,” vertelt hij. “Ze zijn afgekraakt en neergezet als hippies in bossen die lopen te zeuren, die geen maatschappelijke staat van dienst zouden hebben.” Money to Burn bestond uit een internationaal team, met zestien journalisten uit verschillende landen, zoals Engeland, Estland en Nederland. Deze manier van samenwerken bevalt Gijzel. Hij zit tevens achter de oprichting van Are We Europe, een Europees journalistiek platform. Hij vindt het dan ook belangrijk dat Europese journalisten solidair met elkaar zijn: “Persvrijheid verschilt per land. Als een verhaal in één land niet verteld kan worden omdat het te gevaarlijk is, dan kan het elders.” Zo zijn bijvoorbeeld Hongaarse journalisten gebaat bij Europese journalistieke samenwerking, denkt Gijzel. “De Hongaarse journalistiek kan enorm geholpen worden door samen met Europese journalisten een bepaald thema aan te kaarten. Zo kan je in persvrije landen verhalen vertellen over plekken die niet persvrij zijn.”

Ook Albrecht ziet de meerwaarde van supranationale samenwerkingen binnen de journalistiek, maar hij vindt dat er tevens een rol voor de Europese Unie is weggelegd. “We geven de helft van de Europese begroting uit aan koeien en varkens, ruw gezegd. Grofweg vijfhonderd miljard. Maar niets aan media en journalistieke programma’s. Ik ben niet per se voor subsidies, maar wel voor infrastructuur voor Europese pers. Zo denk ik aan het gratis vertalen van Europese journalistiek, zodat de publieke ruimte wordt vergroot.”

Het werk van alle genomineerden staat dan ook, vertaald naar het Engels, op de European Press Prize-website. En wat opvalt: het grote aantal kanshebbers uit Centraal- en Oost-Europa, plekken die niet grossieren in persvrijheid. Eenvoudig te verklaren, denkt Albrecht: “De noodzaak is in die landen het grootst. En dat leidt tot beter werk.”

Een toekomstbestendige sector

Albrecht denkt dat de pers de komende jaren onder druk blijft staan. Hij noemt meerdere gevaren, van gebrekkige Europese wetten omtrent intellectueel eigendom tot het populisme. Maar ook is hij kritisch op de sector zelf – zeker over de verslaggeving van de coronapandemie. “In zijn algemeenheid heeft de journalistiek slecht werk geleverd. Er is niet kritisch genoeg naar overheidsbeleid gekeken, in Nederland komt dit nú pas een beetje op gang.” De coronacrisis schittert daardoor in afwezigheid tijdens de European Press Prize 2021. Geen enkel verhaal gaat hoofdzakelijk over de pandemie. De Europese journalistiek berichtte gewoon ‘niet goed genoeg’ over het coronavirus, concludeert Albrecht. Toekomstbestendige journalistiek hangt af van de kansen die jonge journalisten krijgen, zo denken Albrecht en Gijzel. “Jongeren hebben andere competenties dan ouderen. Bijvoorbeeld digitale vaardigheden, plus jongeren zijn vaak erg creatief”, meent Gijzel, een millennial die zelf pas zeven jaar actief is in de journalistiek. En het resultaat spreekt voor zich: een innovatief, maatschappelijk relevant en onthullend onderzoek, genomineerd voor een Europese prijs. Jongeren beleven de realiteit anders en kijken hierdoor op andere wijze naar grote onderwerpen dan oudere journalisten, ‘meer toekomstgericht’, volgens Albrecht.

Het is precies de reden waarop hij hoop houdt, ondanks zijn – soms felle – kritiek op de sector: jonge, aanstormende journalisten. En het feit dat jonge honden genomineerd worden voor prestigieuze Europese prijzen is ‘het bewijs dat talent vanzelf boven komt drijven’ – en dat stemt hem gelukkig. Want ‘er is een demografische bubbel van oudere journalisten in Nederland’. De langetermijnbril van jongeren mag niet ontbreken.

Met medewerking van Detlev Hiep


Steun ons!
Vond je dit een goede productie en wil je hier meer van zien? Steun deze redacteur met een kleine donatie voor een kop koffie (€ 2,50), een redactievergadering (€ 12,50) of een ander bedrag!