De Voorzet: de rots van Rijkaard

Beeld: Micky Dirkzwager

In aanloop naar het Europees kampioenschap voetbal schrijft Danielle Kliwon elf weken lang over de elf posities in het elftal. Ze bekijkt het huidige team en haalt herinneringen op aan de Nederlandse spelers van weleer, zoals Van Aerle, Israël, Van Breukelen en Koeman. Deze week: de verdedigende middenvelder.

Het spreekwoord ‘een rots in de branding’ slaat zonder twijfel op Frank Rijkaard. De Amsterdammer die als jonge jongen samen met Ruud Gullit op pleintjes in de Baarsjes en de Kinkerbuurt voetbalde was de stille motor van ieder elftal waarin hij ooit speelde. Een betrouwbare steunpilaar, zowel in de verdediging als op het middenveld, die zich bescheiden op de achtergrond begaf en met zijn aanwezigheid medespelers beter maakte.

Hij was ook mijn rots toen ik opgroeide. Ieder kind heeft wel iemand naar wie hij of zij opkijkt. Iemand die je als voorbeeld ziet, of stiekem als beste vriend wil hebben. Mijn neefje had Snoop Dogg, mijn beste vriendinnetje wilde de ruimte in en keek op naar Neil Armstrong. Ik had Frank Rijkaard. Een Amsterdamse voetballer, van Surinaamse komaf, die voetbalde op pleintjes, net als ik vroeger. Dat schiep een band. Ik las er een aantal jaar geleden een stuk over in Het Parool: dat Ajax en Suriname twee handen op één buik zijn. En Rijkaard was de eerste. Zelfs al was ik toen nog niet eens geboren, het verklaart een hele hoop.

Rijkaard begon zijn voetballoopbaan bij DWS, net als vele andere groten, en debuteerde op zijn 17e onder Leo Beenhakker in de hoofdmacht van Ajax. Hij zou zeven jaar voor Ajax spelen, als centrale middenvelder, libero, voorstopper en rechtermiddenvelder. Op geen enkele positie stelde hij teleur. Hij won driemaal de Eredivisie, driemaal de beker en ook de Europa Cup II. Een mooie erelijst voor een jongeman van 24. 

Na een aantal seizoenen klopte PSV aan met een stereotoren en een verviervoudigd salaris. Rijkaard zette zijn handtekening onder zowel een contract van PSV als Ajax, maar ging uiteindelijk nergens heen. De flirt met PSV leidde tot een ruzie met Johan Cruijff, die op dat moment trainer van Ajax was. Uiteindelijk riep de woedende Rijkaard dat Cruijff de kolere kon krijgen: PSV ging niet door, maar Rijkaard ging wel weg bij Ajax.

Na gedoe met bankgaranties en administratieve rompslomp – bijna net zo knullig als het vinkje van Haller – vertrok Rijkaard via Sporting Lissabon op huurbasis naar het Spaanse Real Zaragoza. Hij speelde er maar elf wedstrijden, maar dat waren er meer dan genoeg. Op het EK van ’88 dat volgde schitterde Rijkaard. Hij speelde alle wedstrijden als een rots, dé rots in de branding. Nederland werd Europees kampioen en hij had daar een groot aandeel in. Zijn goede prestaties leverden hem een transfer op naar AC Milan, waar hij uitgroeide tot een waar clubicoon. Een legende die ze in de armen sloten, zelfs na zijn terugkeer naar Ajax in ’93. 

Maar Rijkaard was niet altijd de rust zelve. Soms ontvlamt de rots. Twee jaar na zijn spetterende optreden op het EK, mocht hij weer met Oranje aantreden, ditmaal op het WK in Italië. Nederland werd, zonder ook maar één wedstrijd te winnen in de poulefase, in de ⅛ finale uitgeschakeld door Duitsland. De Nederlanders waren gefrustreerd, Rijkaard al helemaal, en hij schoffelde in de 23e minuut de Duitse Völler onderuit. Rijkaard kreeg een gele kaart en spoog Völler vervolgens op zijn achterhoofd. De scheids zag het niet en gaf de protesterende Völler, die zich terecht opwond over de roggel van Rijkaard, ook een gele kaart. Even later kreeg Rijkaard het weer aan de stok met Völler toen die Oranje-keeper Van Breukelen omver liep. De normaal zo rustige Rijkaard trok de Duitser aan zijn oor. Na het akkefietje dat volgde kregen beiden een tweede gele kaart: rood. Rijkaard, nog niet tevreden met het oortrekken en de achterhoofd-spoog, haalde onderweg naar de kleedkamers nog één keer uit. Met een rochel die uit z’n tenen kwam, spoog hij Völler nogmaals op het hoofd.

Toen Ajax in ’95 de Champions League won ging Amsterdam uit z’n plaat. De Europa Cup I-zege van ’72 was er niks bij. Het Paleis op de Dam werd ditmaal weliswaar niet beklommen, maar toen na het puntertje van Kluivert en de billenknijpende slotminuten die volgden het laatste fluitsignaal eindelijk klonk, werd Amsterdam gek. Een uitzinnig feest barstte los en de stad dacht urenlang niet aan bedaren.

De beker met de grote oren was dan ook het resultaat van een prachtige campagne van Ajax, waarin het team de poulefase op de eerste plaats afsloot, het grote Bayern Munchen thuis met 5-2 over de knie werd gelegd en er driemaal gewonnen werd van AC Milan: tweemaal in de poulefase en een keer in die alles beslissende finale.

Rijkaard was daarin bepalend. Toen het team bij rust op een troosteloze 0-0 stond, trok hij zijn mond open. Opeens stond hij op en sprak het team toe. Dat deed hij normaal nooit, maar nu wel. Emotioneel, boos en geërgerd: “Je zult het jezelf nooit vergeven als je een finale verliest. Nóóit!” Met hernieuwde passie begaf Ajax na zijn woorden het veld. Het betaalde zich uit in de 85e minuut. Een afzwaaiende pass, doortikken en de grote teen van Kluivert. Op aangeven van Rijkaard prikte de jonge spits van Ajax de winnende goal erin. Een spurt van Rijkaard volgde, maar meer emotie toonde hij niet. 

Nee, emotie hadden we al mogen aanschouwen bij de uitoverwinning tegen Milan, misschien wel het mooiste moment van dat hele toernooi. Milan was gestraft door de UEFA nadat de keeper van tegenstander Salzburg een flesje tegen het hoofd kreeg. Gegooid door een Italiaanse thuissupporter. De UEFA besloot dat Milan de resterende thuiswedstrijden op minimaal 300 kilometer afstand van Milaan moest spelen en gekozen werd voor Triëst. En dus reisde Ajax voor hun uitduel af naar het slaperige stadje aan de grens met Slovenië in plaats van het altijd bruisende Milan. 

Het Stadio Nereo Rocco was alsnog gevuld met Milanezen, zeker voor de helft. Het mocht niet baten: Ajax speelde groots, zoals ze dat hele glorieuze seizoen – behalve in de bekerfinale tegen Feyenoord – deden. Vedette Jari Litmanen scoorde al na twee minuten en het leed was compleet voor de Italianen toen clubicoon Baresi een eigen doelpunt maakte. 

Maar ze dropen niet af na de met 2-0 verloren wedstrijd. In plaats daarvan zongen de Milanezen. Ze zongen en zongen en zongen. Terwijl hun eigen spelers en die van Ajax allang in de kleedkamers waren, bleven de fans van AC Milan zingen.

Voor Frank Rijkaard.

Zichtbaar geëmotioneerd begaf hij zich weer op het veld en maakte hij een ronde langs de AC Milan-fans. Ze gaven hem een staande ovatie, een ode aan een grootse speler, voor wie ze, ondanks dat hun team had verloren en hij inmiddels voor de tegenstander speelde, nog steeds groot respect hadden.

Een eresaluut aan een voetbalmonument,‘ zo schreef Trouw.

Tja. Wat kan ik er nog meer over zeggen? Een stereotoren, een spuugincident, wat maakt dat nou uit?

Frank Rijkaard. Bescheiden, standvastig, een rots in de branding. Die was toch echt een klasse apart.

Met medewerking van Detlev Hiep.


Steun ons!
Vond je dit een goede productie en wil je hier meer van zien? Steun deze redacteur met een kleine donatie voor een kop koffie (€ 2,50), een redactievergadering (€ 12,50) of een ander bedrag!