Kunstig laveren of geheid halveren? Regeren blijft vooral vooruitzien

Beeld: Marie van der Donk

Nederland heeft gekozen, de kaarten zijn geschud en één ding lijkt zeker: de VVD en D66 smeden samen een coalitie. Maar loont regeren voor de mogelijke coalitiepartners wel? Politiek redacteur Teun Toonen doet een poging om die vraag te beantwoorden met behulp van de (recente) geschiedenis.

“Regeren is laveren,” zei ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers tijdens het afsluitende NOS-lijsttrekkersdebat tegen Jesse Klaver (GroenLinks). Oftewel, regeren is geven en nemen: compromissen sluiten. Segers doelde daarmee op het weglopen van GroenLinks van de formatietafel in 2017. “Ontlopen van bestuursverantwoordelijkheid,” oordeelden andere partijen. Ook de kiezer strafte GroenLinks genadeloos af.

Waar regeringsdeelnames van D66 jarenlang konden worden samengevat met het adagium ‘regeren is halveren’, werd de partij na een regeringsdeelname dit keer misschien wel dé winnaar van de verkiezingen. Voor GroenLinks betekenden de verkiezingen het tegenovergestelde: niet-regeren werd halveren.

Het Kaag-effect

Is het tij daarmee gekeerd en wordt regeren beloond door de kiezer? Dat is te kort door de bocht. D66 is de eerste partij die na regeringsdeelname in een kabinet van Mark Rutte zetels wint. In 2012 kelderde het CDA van 21 naar 13 zetels. De PVV, die gedoogsteun gaf aan de coalitie van VVD en CDA, verloor 9 zetels (van 24 naar 15).

Lodewijk Asscher zal nog wel eens wakker schrikken van de exitpolls die vijf jaar later in beeld verschenen. Na een coalitie met de VVD verloor de PvdA in 2017, met Asscher als lijsttrekker, maar liefst 29 zetels, de grootste verkiezingsnederlaag ooit.

En ook deze verkiezingen kwam er bij de regeringspartijen weer een verliezer uit de bus: het CDA verloor 4 zetels (van 19 naar 15). De ChristenUnie behield weliswaar haar 5 zetels, maar hoopte, mede door de gunstige peilingen, op meer.

D66 vormt de afgelopen tien jaar dus een uitzondering. Toch lijkt dit meer het ‘Kaag-effect’ dan een beloning voor regeringsdeelname. Sigrid Kaag voerde de laatste weken een sterke campagne en uiteindelijk vielen veel kiezers voor haar ‘nieuwe leiderschap’. Dit terwijl de partij een jaar geleden nog slechts rond de 10 zetels peilde. Bij D66 maalt daar niemand om: de partij lijkt een belangrijke rol te gaan spelen bij de coalitieonderhandelingen en wil haar verkiezingswinst verzilverd zien in het regeerakkoord.

Durven de oude coalitiepartners?

Des te huiveriger zijn andere partijen om met de twee liberale verkiezingswinnaars in zee te gaan. Verkenners Annemarie Jorritsma (VVD) en Kajsa Ollongren (D66) moeten vanuit de wensen van hun eigen partijen gaan aftasten welke partij openstaat voor regeringsdeelname en welke niet.

Voor de VVD is het CDA de coalitiepartner waar ze graag mee samenwerken, bevestigde Mark Rutte nog maar eens. Maar wil het CDA zelf wel? Na de desastreuze verkiezingen van 2010 – de partij van toenmalig premier en lijsttrekker Jan Peter Balkenende ging van 41 naar 21 zetels – werd het CDA toch verleid tot regeringsdeelname. Na ruim twee jaar regeren trok Geert Wilders (PVV) zijn gedoogsteun aan de VVD en het CDA in: het kabinet viel.

Het CDA zal zijn huid duur willen verkopen

Bij de daaropvolgende verkiezingen haalde het CDA slechts dertien zetels en verloor het opnieuw flink. De christendemocraten krabben zich wel drie keer achter de oren voordat ze weer met een verkiezingsnederlaag de coalitie instappen. Zeker omdat vierenhalf jaar oppositie voeren tussen 2012 en 2017 wél een verkiezingswinst opleverde. Bij regeringsdeelname zal het CDA zijn huid duur willen verkopen.

De andere christelijke coalitiepartij werd ook niet beloond voor haar regeringsdeelname. De ChristenUnie gaf zelf meermaals aan trots te zijn dat het tijdens de regeringsdeelname ‘compromissen had gesloten, zonder van de eigen principes af te wijken’, maar het ‘regeren is laveren’ van Gert-Jan Segers leidde tot winst noch verlies. Hetzelfde geldt voor de zeven jaar dat zij oppositie voerden. Zowel regeren als niet-regeren lijkt voor de ChristenUnie niet te lonen.

Oppositie voeren loont niet altijd

Dat oppositie voeren niet altijd loont, bewijzen vooral de drie linkse partijen. De situatie leek vier jaar geleden nog perfect: een centrumrechts kabinet waar de linkse oppositie flink tegenaan zou kunnen schoppen. Verkiezingswinst gegarandeerd, zou je zeggen. Niks bleek minder waar: GroenLinks en SP verloren keihard en de PvdA wist het slechtste resultaat uit haar historie niet omhoog te krikken. Alles doen om mee te kunnen regeren, lijkt daarmee de opdracht voor de drie partijen.

Toch zullen ze bij de PvdA nog huiverig zijn na de regeringsdeelname in 2012 en de daaropvolgende verkiezingsnederlaag. Het is misschien wel het beste voorbeeld om de stelling te verdedigen dat regeren niet loont. Ook GroenLinks en SP zijn bang voor een dergelijke afstraffing bij regeringsdeelname, maar zullen ook concluderen dat oppositie voeren hen allesbehalve hielp. Vooral GroenLinks denkt daarbij – met spijt – terug aan het weglopen van de formatietafel in 2017.

Deelname van een van deze partijen wordt door D66 toegejuicht, maar niet door de VVD. GroenLinks en PvdA hebben afgesproken niet zonder elkaar een coalitie in te stappen. Hoe sterk deze afspraak is en hoe kiezers dit waarderen, moeten de komende maanden en jaren uitwijzen.

Een sprong in het diepe voor de nieuwkomers?

De gedoogsteun van de PVV in 2010, en de verkiezingsnederlaag die volgde in 2012, lijkt een indicatie te geven dat regeren voor rechts-populistische partijen niet loont. De anti-establishment houding van de PVV en Forum voor Democratie is makkelijker aan te nemen vanuit de oppositiebanken dan vanuit de uitvoerende macht zelf. Bovendien hebben VVD en D66 de twee partijen al uitgesloten van een eventuele coalitie, wat de vraag of regeren loont voor Wilders en Baudet vergemakkelijkt.

Ook naar de ‘acht kleintjes’ wordt gekeken voor een eventuele regeringsdeelname. Voor DENK, SGP en Partij voor de Dieren lijkt in een coalitie stappen niet te lonen. Als kleine partij is het risico groot dat het eigen geluid ondergesneeuwd raakt door dat van grotere coalitiepartners. Zeker gezien de radicaal conservatieve (SGP) of progressieve (DENK en PvdD) eisen van de partijen. Dit geldt in nog grotere mate voor 50PLUS, BoerBurgerBeweging en Bij1.

JA21 en Volt dromen stiekem van een glansrijk debuut met regeringsdeelname

JA21 en Volt moeten zich afvragen of een regeringsdeelname nu al verstandig is. Daarbij zal de naam van de LPF waarschijnlijk binnenskamers de revue passeren. De partij van de toen al vermoorde Pim Fortuyn debuteerde in 2002 met 26 zetels in de Kamer en besloot met die enorme winst meteen deel te nemen aan een kabinet. Dat werd een fiasco, mede door verstoorde verhoudingen binnen de LPF, en het kabinet viel na 87 dagen.

Bij de daaropvolgende verkiezingen hield de LPF slechts 8 zetels over, waarna de partij verder implodeerde. JA21 en Volt willen dit scenario natuurlijk voorkomen, maar zullen stiekem toch ook dromen van een glansrijk debuut met regeringsdeelname, dat wordt beloond door de kiezer.

Valt er dan één duidelijke conclusie te trekken? Het antwoord is nee en verschilt bovendien per partij. Regeren is laveren en daarmee neemt een partij risico. Soms loont dit risico en soms blameert een partij zich door te halveren. Maar de inschatting die partijen maken met het oog op de volgende verkiezingen, laat toch vooral zien: regeren is vooruitzien.

Met medewerking van Danielle Kliwon.


Steun ons!
Vond je dit een goede productie en wil je hier meer van zien? Steun deze redacteur met een kleine donatie voor een kop koffie (€ 2,50), een redactievergadering (€ 12,50) of een ander bedrag!