De enige reiziger die de buschauffeur mag begroeten

Na een lange dag boomstammen sjouwen staat columnist Jonasz op de bus te wachten. Naast hem staat een oudere dame. Ze heeft een mondkapje en een zonnebril op, maar deze kunnen de traan die langs haar wang loopt niet verbergen.

Omdat ik niet meer studeer en ook geen baan heb – het is crisis en ik ben afgestudeerd filosoof –, werk ik eens per week op een boerderij net buiten Rotterdam, in Overschie. De boerderij ligt in regio Midden-Delfland, een prachtig stukje stadse natuur. Op zonnige dagen lijkt het net alsof Marsman zijn gedicht ‘Herinnering aan Holland’ hier op de oevers van de Schie heeft geschreven.

Het is Nederland in een notendop. Het glooiende kanaal snijdt door het weidelandschap als corona door nationale cohesie. De opvallend gele NS-treinen schieten aan de horizon over de Hoge Snelheidslijn, symfonisch begeleid door het altijd op de achtergrond aanwezige gezoem van bijtjes en de A13. Boven dit alles uit klinkt het prachtige geluid van ganzen, zwanen en vliegtuigen die elke tien minuten opstijgen of landen op Rotterdam Airport.

Na een lange dag boomstammen sjouwen stond ik te midden van dit stadse natuurgeweld te wachten op de bus. Mijn halte bevindt zich recht voor Hofwijk, het enige gemeentelijke crematorium van Rotterdam. Naast mij stond een oudere mevrouw het bordje met het rooster te bekijken. Ik had al op de app gekeken: we waren beiden te vroeg. De bus zou er nog tien minuten over doen. Ik was er samen met mijn hond, die ik aangelijnd had. Dat weerhield hem er niet van me uit enthousiasme en bloeddorst naar weidevogels en volgevreten eenden bijna de weg over te trekken.

Mijn hond trok me uit enthousiasme en bloeddorst bijna de weg over

In mijn ongegeneerde poging om de nek van mijn hond te breken keek de mevrouw mij aan. Ze had een zonnebril op en haar mondkapje alvast om, dus ik kon haar blik niet precies genoeg vangen om te bepalen hoe ik moest reageren. Ik glimlachte maar gewoon. De zon stond laag en scheen op haar gezicht, dat een roodgouden gloed kreeg. Ik ving een glimp op van de glinstering op haar wang. De traan werd al snel opgenomen door de lichtblauwe stof van haar mondkapje, die daardoor wat donkerder werd. Ik voelde me ongemakkelijk en vroeg dus maar hoe het met haar ging.

Niet zo goed.

Ze was net naar het graf van haar man geweest. Dat deed ze iedere dag sinds zijn dood, nu ongeveer een half jaar geleden. Ze zei dat mijn hond haar deed denken aan die van hen. Charlie. Die was een jaar geleden overleden aan kanker. Ze was er nog steeds erg verdrietig over. Mevrouw was eenzaam, zei ze. Maar niet zo erg, hoor, voegde ze haastig toe. Niet zo erg als al die jongeren. “God, wat moeten jullie het zwaar hebben”, zei ze, terwijl ze een nieuwe traan wegveegde voordat die de rand van haar mondkapje kon bereiken. Ik wist wederom niet goed wat ik moest zeggen. Ik ga toch niet zeggen dat ik het ‘inderdaad’ zwaar heb tegen een eenzaam iemand die rouwt om haar man en hond?

Ik zei niets. Althans, ik knikte en zei: “ach ja.” Om het gesprek van onderwerp te veranderen, vroeg ik haar waar ze woonde. In het centrum, al vijftig jaar. Maar daarvoor, in hun twintiger jaren, woonden ze in Overschie. Toen waren ze erg gelukkig, vertelde ze. “Daarom ligt mijn man hier, op Hofwijk. Dat wilde hij graag.” Ze gaat er iedere dag heen. Niet met de auto. Die had ze verkocht want die was te duur. Iedere dag met de bus.

Die kwam overigens aanrijden en onderbrak ons gesprek. Ik wenste haar een fijne dag en glimlachte nogmaals, aangedaan en onzichtbaar, want ik was intussen ook gemaskerd. Ze gaf mijn hond een aai over de kop en stapte de bus in, op weg naar het centrum. Terug naar de eenzaamheid. Morgen komt ze weer.

Ze gaf mijn hond een aai en ging terug naar de eenzaamheid. Morgen komt ze weer

Althans, dat hoop ik. Metropoolregio Rotterdam Den Haag wil namelijk flink gaan schrappen in de dienstregeling van het openbaar vervoer in de regio vanwege minder reizigers door de coronacrisis. Het zou de 379 miljoen euro aan misgelopen inkomsten sinds het begin van het virus moeten balanceren. Een van de lijnen die er waarschijnlijk aan moet geloven, is de lijn waar ik die oude mevrouw ontmoette. Ik snap heel goed dat we niet meer zoveel met het openbaar vervoer reizen als in pre-coronatijden en dat er dus minder bussen, metro’s en trams zullen rijden. Dat snap ik echt.

Ik wil daarom enkel pleiten voor een grondige, desnoods sociologische evaluatie van hoe en waarom men bepaalde buslijnen gebruikt. Ook al is het aantal reizigers sterk verminderd, de kwaliteit en het gewicht van de reis zouden minstens net zo zwaar mee moeten tellen in de besluitvorming. Ik hoop namelijk ten zeerste dat deze mevrouw het graf van haar man kan blijven bezoeken, ook al is ze de enige reiziger die de buschauffeur op een dag mag begroeten.

Met medewerking van Danielle Kliwon.


Steun ons!
Vond je dit een goede productie en wil je hier meer van zien? Steun deze redacteur met een kleine donatie voor een kop koffie (€ 2,50), een redactievergadering (€ 12,50) of een ander bedrag!

Jonasz Dekkers