Een enerverende wandeling

Redacteur Jonasz Dekkers maakte een (gedwongen) wandeling door een besneeuwd Rotterdam. Hij ontdekte dat de sneeuwval die ons een week lang in de klauwen had, verdacht veel gelijkenissen vertoont met het coronavirus waar we maar geen greep op lijken te krijgen.

Vorige week liet ik een heel glas bier over mijn laptop vallen. Ach ja. Kapot. Niet het bierglas, maar de laptop. Ik moest die dus laten maken. Een paar honderd euro lichter vertrok ik bij de computerdokter op de Hoogstraat. Het had flink gesneeuwd, maar dit was de eerste dag dat de zon er ook bij scheen. Het was een prachtige dag om door Rotterdam te lopen. Niet dat ik veel keus had, want de trams en de bussen reden niet en de metro komt niet langs mijn huis.

Het is misschien wat vergezocht, maar de beleving van de sneeuwval in de stad deed me denken aan de beleving van de coronacrisis. Toen de eerste weersvoorspellingen binnenkwamen was er de verheugde, lichte spanning over wat er ons te wachten stond. Toen die eerste sneeuw ook daadwerkelijk uit de lucht kwam dwarrelen, werden direct de eeuwenoude sleetjes van zolder en de Instagramposts van stal gehaald (inclusief caption: “Kijk dannn, het sneeeuwt”).

De eerste sneeuw was vreemd, spannend, interessant. Net als de eerste tekenen dat het coronavirus onze kant op zou komen. Die wekten ook een vreemd, raar gevoel op. Het virus was een onbekend fenomeen, de ‘historische’ mate van sneeuwval ook. En net als tijdens de eerste golf coronabesmettingen waren Rotterdammers tijdens de eerste sneeuwstorm in jaren creatief, energiek en innovatief. Hoe stadse ondernemers in maart vorig jaar allerlei nieuwe initiatieven opzetten, werd de sneeuw vorige week verwelkomd alsof het de enige en laatste keer zou zijn dat we zoiets zouden meemaken. Spelend en roetsjend, sneeuwbalvechtend en koffie uit thermoskannen drinkend genoot Rotterdam van vervlogen tijden.

Net als bij de eerste golf van het coronavirus maakte de spanning al snel plaats voor chaos

Maar ja, na die eerste spanning werd het al snel minder. Donker, koud en winderig. Spekglad ijs op de stoep, bruine drab op straat. Net zoals bij de eerste coronagolf, maakten de geanticipeerde sneeuwpret, spanning en sensatie al snel plaats voor chaos. Files, ongelukken en irritatie. Er dreef nog geen ijs op het water, omdat het nog niet koud genoeg was geweest en eigenlijk was er niets aan.

Na mijn bezoek aan de computerdokter liep ik over het plein van de Laurenskerk – de grote markt zou hier in normale, coronaloze tijden zijn gehouden – naar de uitgestorven Meent, waar de zoutwagens over straat reden maar de stoepen oversloegen. Het ijs was daar dan ook dikker dan op de sloten dus gleed ik uit. Ik viel voorover en kwam met een smak neer op mijn gezicht. Ach ja.

Gelukkig zat de net gerepareerde laptop in mijn rugtas en bleef een nieuw doktersbezoek me bespaard. De enige andere waaghals die over de Meent rondliep, hielp me overeind terwijl hij zich vastklemde aan mijn mouw om zelf niet onderuit te gaan. Ik bedankte, klopte de sneeuw van mijn voorlijf en zag dat ik uitgerekend voor de dichte deur van De IJssalon op mijn gezicht was gegaan. “Doe mij maar een hoorntje met twee van die bruine bolletjes. Ja, die met uitlaatgassmaak.”

Die deur van De IJssalon bracht het einde van de eerste coronagolf in herinnering. Aan het begin was men creatief, innovatief en veerkrachtig. Rotterdam ging ertegenaan en stroopte de mouwen omhoog. Maar tegen het einde van het voorjaar daalden de irritatie en melancholiek neer als vieze sneeuw en probeerde het kabinet als een pekelwagen koortsachtig zout in de wonden te strooien. Dat baatte natuurlijk niet. Niet echt.

Ze dacht hetzelfde als ik. Teringsneeuw

Na mijn valpartij pakte ik toch maar de metro om nog enigszins aan de chaos te ontkomen. Al na twee stations riep een metalige stem om dat de metro niet meer verder zou rijden “wegens weeromstandigheden”. Een vrouw die aan de andere kant van het gangpad zat keek me aan en rolde met haar ogen. Ik hoefde de rest van haar gemaskerde gezicht niet te zien om te weten dat ze hetzelfde dacht als ik. Teringsneeuw.

Gelukkig werd het al snel écht koud. Aangenaam koud. Zonder drab, zonder wind en met zon. Bovendien was het weekend. De singels, plassen en sloten van de stad stroomden vol. De schaatsen werden uit het vet gehaald en overal in Rotterdam sprongen mensen op het ijs (dat overigens op sommige plekken nog steeds niet dikker was dan op de stoep). Net zoals de dichte deur van De IJssalon me deed denken aan de eerste golf, deden de open deuren van alle cafés die glühwein serveerden me denken aan de hete zomer, toen het op sommige momenten echt even leek alsof de coronacrisis voorbij was.

En toen, na dagen van zomerse winterkou, na dagen zonder te denken aan corona, begon de winter weer. En hoe. Met regen, 546 strooiwagens en code rood. Het ijs is inmiddels gesmolten, de sneeuw krijgt weer het voorvoegsel ‘tering’ en de pret lijkt als een nachtkaars uit te gaan. Het is nou eenmaal zo. Gelukkig lijkt de tweede golf inmiddels bijna voorbij. De avondklok ook. Of niet? We gaan het zien. Die derde golf komt er in ieder geval alweer aan. Mijn eerste Zoom-meeting met gerepareerde laptop: microfoon kapot. Ach ja.

Met medewerking van Danielle Kliwon.


Steun ons!
Vond je dit een goede productie en wil je hier meer van zien? Steun deze redacteur met een kleine donatie voor een kop koffie (€ 2,50), een redactievergadering (€ 12,50) of een ander bedrag!

Jonasz Dekkers