Jong en van adel: ‘Als edelman heb ik een hoffelijkheidsplicht’

Jonkheren Roelof en Everard. Beeld: Berend van der Hijden

Adeldom. Everard, Roelof en Victor zijn als jonkheer geboren en komen hier nooit meer van af. Redacteur Koen de Groot sprak met de drie jonge edellieden over wat hun adellijke komaf voor hen betekent.

Quizvraag. Wat hebben topschaker Jorden van Foreest, journalist Sander Schimmelpenninck en minister Kajsa Ollongren met elkaar gemeen? Antwoord: ze behoren alle drie tot de selecte groep van circa achtduizend Nederlanders die van adel zijn. Daarmee maken edellieden nog geen 0,05 procent van de Nederlandse bevolking uit. 

Ondanks deze geringe grootte behoort de adel tot een van de meest tot de verbeelding sprekende sociale groepen van ons land, getuige programma’s als De Hokjesman of Van oud geld, de dingen, die niet voorbij gaan. Programma’s bovendien, waarin oude gedistingeerde mannen in klassieke auto’s de boventoon voeren. Maar wat betekent het voor een jonge generatie edelmannen om van adel te zijn?

“Als ik een meisje in wil palmen, noem ik meestal meteen de hele shit

Zegelring bij de afwas

“Ja, die aflevering van De Hokjesman zit vol mensen die er echt goed op gaan dat ze van adel zijn. Als ik zo’n programma zie, vind ik het wel gek dat ik daarbij hoor,” zegt de Amsterdamse psychologiestudent jonkheer Victor Storm van ’s Gravesande (21). Victor heeft dan ook niet zoveel op met zijn adellijke afkomst. “Als ik mezelf voorstel noem ik me meestal gewoon Victor Storm. Vrienden van me vertellen er dan vaak bij dat ik van adel ben.” Lachend vervolgt hij: “Behalve wanneer ik een meisje in wil palmen, dan noem ik meestal meteen de hele shit.”

Toch zijn er ook elementen die hij waardeert aan zijn adellijke komaf. “M’n zegelring is by far het vetste aan m’n hele adelding. Op m’n 21e kreeg ik ‘m van mijn opa. Toen werd ik me wel echt bewust van de bloedlijn. Zeker als ik de ring aan m’n eigen hand zie, bij het afwassen ofzo, word ik me ervan bewust dat elke man uit mijn familie diezelfde ring aan zijn vinger heeft gezien, eeuwenlang. Dat is wel lijp.”

Wat zijn voorvaderen precies hebben gedaan, interesseert Victor niet al te veel. “Tijdens een kerstdiner had m’n oom wel een keer een presentatie gegeven over onze voorouders, maar daar is me niet zoveel van bijgebleven. Ik weet alleen nog dat er een tori was over een guy die bevriend was met Newton. Verder zaten er volgens mij wat kunstschilders tussen.”

Plichtsbesef

Aspirant-marinier Roelof (26), een jonkheer die wegens privacy-redenen liever niet met zijn achternaam genoemd wil worden, weet daarentegen zeer goed dat zijn voorouders zich op verschillende manieren in positieve zin hebben ingespannen voor de Nederlandse maatschappij, met name als bestuurders. Anders dan Victor ervaart Roelof zijn adeldom dan ook sterk. “Ik voel de plicht om in de voetsporen van mijn voorvaderen te treden. Zij hebben zich ingezet voor anderen, en het is mijn taak om hun voorbeeld te volgen. Dat heeft mijn vader ook als belangrijkste waarde in mijn opvoeding meegegeven: succes voor jezelf is niet het hoogste doel.”

Jonkheer Everard (23), die evenmin met zijn achternaam wil verschijnen, kan zich goed in Roelofs woorden vinden. “Bij ons in de familie is het adagium niet voor niets noblesse oblige: je moet je nobel gedragen in woord en daad.” Everard, student rechten en kunstgeschiedenis, probeert zijn adeldom dan ook actief uit te dragen. “Het is niet dat ik er tijdens het ontbijt over nadenk, maar als ik in het park een oude dame zie die wil oversteken, dan help ik haar daarbij. Dat is mijn hoffelijkheidsplicht als edelman.” 

De middeleeuwse Franse koning Lodewijk de Heilige (1214-1270) geldt daarbij als lichtend voorbeeld voor zowel Roelof als Everard. “Lodewijk nodigde zowel baronnen als melaatsen uit aan zijn eettafel,” verklaart Everard. “En hij droeg zowel het ziekenhuisschort als de hermelijnen mantel. Wat ik wil zeggen, is dat je je als edelman op verschillende manier nobel en gracieus kan gedragen. Ook vandaag de dag, door bijvoorbeeld zowel mee te doen aan jachtpartijen, als te helpen in een azc.”

“Je kan gaan netflixen, maar ik ontwikkel mezelf liever met een goed boek of muziekstuk”

Anders zijn

Vanwege dubbele achternamen of het simpele gegeven dat hun adeldom in hun paspoort staat, worden de jonkheren er door anderen geregeld op gewezen dat ze van adel zijn. Roelof ergert zich daar niet zo aan: “Je krijgt af en toe een plagerijtje over je heen, maar daar heb ik niet zo’n moeite mee.”  Wel merkt hij dat mensen anders naar hem kijken. “Als ik brak in de goot zou liggen, niet dat dat gebeurt overigens, dan val ik uit de toon. Mensen zullen dan al gauw zeggen: ‘dat hoort eigenlijk niet.’ Je wordt toch anders beoordeeld.”

Everard wist eveneens al jong dat hij ‘anders’ was. “Mijn vader vertelde ons op jonge leeftijd al dat wij van adel waren. Overigens werd ik in groep 3 daar al op gewezen door klasgenootjes, als het over ridders en kastelen ging.” Everard wijst erop dat het ook zijn plícht is om anders te zijn. “Als ik een half uurtje niets te doen heb op een dag, dan kan ik ervoor kiezen om te gaan netflixen, wat ik leuk vind om te doen. Maar als edelman denk ik ook vaak: ik ga nu een boek lezen, of een mooi muziekstuk luisteren om mezelf cultureel te vormen.” Ook in gesprekken met vrienden ziet Everard deze onderscheidende rol voor zichzelf weggelegd. “Je kan kiezen voor de gebruikelijke joligheid en gekdoenerij, maar je kan er soms ook voor kiezen om een cultureel en moreel bevorderende conversatie te voeren. Dat is ook een vorm van je edel gedragen.” 

Victor kreeg op zijn beurt van huis uit mee dat er voor jonkheren andere standaarden gelden. Vooral in zijn jeugd waren bepaalde regels belangrijk. “Als ik mijn ellenbogen op tafel had, dan zei mijn vader wel eens boos: ‘zo eet een jonkheer niet.’ Ook moest ik bij mijn grootmoeder altijd rechtop zitten, mocht ik binnen geen pet dragen; het was allemaal heel koud, heel stijf.” Hij vervolgt: “Die formele associaties met adel, dat je er zoveel om geeft, dat vind ik een beetje zielig.”

Victor. Beeld: Berend van der Hijden

Ridderordes

Voor Roelof en Everard gaat hun nobele plichtsbesef hand in hand met een christelijke levensovertuiging. “Van oudsher hangt het Europese adeldom sterk samen met het christendom,” zegt Roelof. “Ridderorders als de Orde van Malta of de Johanniterorde zijn bijvoorbeeld opgericht door edelen om christelijke waarden uit te dragen. Die ordes bestaan nog steeds en maken zich verdienstelijk voor de maatschappij.”

Zelf helpt Roelof wel eens met vrijwilligerstaken bij de Orde van Malta. Ook Everard is geregeld bij de Maltezer Orde te vinden, waar hij onder meer hielp bij bedevaarten voor ouderen en zieken naar Lourdes. “Bij zo’n ridderorde kan je nog voller je adeldom beleven. Als ik wat ouder en wijzer ben, hoop ik ook officieel tot de Orde toe te treden.”

Voorlopig is Everard in ieder geval lid van de Vereniging voor Jongeren van Adel in Nederland (VJAN), waar ook Roelof lid van is. Ze vinden het fijn om er met mensen van gelijke komaf te kunnen praten over gedeelde normen en waarden, en eenzelfde soort familiegeschiedenis. Victor is geen lid van de VJAN, maar heeft al wel eens een uitnodiging ontvangen. “Ik zou eigenlijk in april 2020 langsgaan op een introductiedag, maar dat werd gecanceld door die coronashit.”

Zodra het weer mag wil Victor graag een keer langs. Voornamelijk uit nieuwsgierigheid, maar ook omdat hij zich steeds bewuster wordt van zijn adeldom. “Ik vind het tof dat mijn familienaam en familiewapen me zo sterk verbinden met mijn familietraditie. En dat dat ook zal gelden voor mijn toekomstige kinderen. Los daarvan hoeft het voor mij allemaal niet zo deftig. Dat ben ik ook helemaal niet.”


Steun ons!
Onze studenten dragen vrijwillig bij aan Red Pers. Vond je dit een goede productie? Sponsor dan onze koffie (€ 2,50), redactievergadering (€ 10,-) of grotere investering. Dankjewel!

Koen de Groot