De vrijheid van een paar vierkante meter

Redacteur Jelle Holtzapffel ging op zoek naar een manier om zijn blik te verruimen, nu hij al maanden in zijn Leidse studentenkamer doorbrengt.

Zo ongeveer een jaar geleden had ik een duidelijk doel voor ogen: een aantal maanden weg uit de Leidse studentenkamer, waar ik de afgelopen studiejaren zoveel tijd doorbracht. Wie weet zou ik in een paar maanden buitenland tot wat nieuwe inzichten komen, in ieder geval zou ik het Leidse bestaan vanuit een ander perspectief kunnen bezien.

De ironie wil dat ik sinds dat moment – de reden hoef ik vast niet toe te lichten – meer tijd dan ooit op diezelfde kamer heb doorgebracht. Ik heb, zoals ongetwijfeld vele anderen, de laatste maanden getracht wat variatie aan te brengen. Plantjes, andere inrichting, nieuwe boeken: om met dat alles de blik op de bekende omgeving steeds te verversen. De rek is er nu toch wel uit.

Sommigen lukt dat wél: binnen zitten en een gevoel van vrijheid behouden. Daarvan getuigt de interviewreeks die De Volkskrant in het voorjaar van 2020 maakte. Verschillende schrijvers werden geïnterviewd over de plek waar zij al jaren werken. Er valt te lezen dat de Vlaamse schrijver Dimitri Verhulst zich fit houdt met het eindeloze loopje van studeerkamer naar het koffiezetapparaat. Het uitzicht voor een groot raam is voor Verhulst voldoende om de vrijheid te blijven ervaren. Columnist en schrijver Bert Wagendorp vertelt in dezelfde serie dat het reizen voor hem nooit een verlokking is geweest: “de vrijheid is niet groot maar klein, een paar vierkante meter met een boekenkast, dat zijn de maten wel zo ongeveer.”

Zolang je vanuit je kamer ruimte geeft aan de verbeelding, blijft het mogelijk om buiten de grenzen van die paar vierkante meter te treden.

De verbeelding van de schrijvers, hoewel die af en toe wat aangedikt lijkt, is bewonderenswaardig. Het is bovendien een prikkelende gedachte: zolang je vanuit je kamer ruimte geeft aan de verbeelding, blijft het mogelijk om buiten de grenzen van die paar vierkante meter te treden. Is die zelf gecreëerde vrijheid onbegrensd?  

Het is een thematiek die centraal staat in het korte verhaal De weddenschap uit 1888 van de Russische schrijver Anton Tsjechov (1860-1904). In het verhaal sluiten een bankier en een jonge jurist een weddenschap met als inzet twee miljoen roebel. De jurist wil aantonen dat levenslange gevangenschap te verkiezen is boven de doodstraf en zal zich daarom vijftien jaren opsluiten in het tuinhuisje van de bankier. Al die jaren moet hij binnenblijven, met niemand mag hij contact hebben. Wel heeft hij een oneindige hoeveelheid boeken tot zijn beschikking.

Door de jaren heen wisselt de lectuur waarmee de jurist zich bezighoudt. Eerst leest hij romans, vervolgens veel filosofie, dan richt hij zich op de talenstudie. Later houdt hij zich bezig met het evangelie, de natuurwetenschappen en scheikunde. Vijftien jaren verstrijken op die manier. Toch zal de jurist – hier volgt een spoiler – de weddenschap niet volbrengen. Na al dat lezen, al die inzichten door de boeken en zijn verbeelding verkregen, raakt hij verbitterd over het materiële aardse bestaan. Vijf uur vóór het einde van de weddenschap besluit hij te vertrekken om daarmee geen aanspraak op de prijs te maken.

De moraal van het verhaal lijkt te zijn dat je niet te veel op de materiële zaken moet focussen en dat ze het opofferen van levensjaren beslist niet waard zijn. Toch kun je, denkend aan al ons binnen zitten, ook op een ander deel van het verhaal focussen. Kwam de jurist terecht tot zijn verbitterde conclusie na al die verbeelde vrijheid? Of is hij simpelweg het contact met het echte leven verloren?

Voor de zekerheid houd ik mijn dagelijkse wandelrondje erin, ik las laatst dat heel wat grote denkers zo tot nieuwe inzichten kwamen.

Met medewerking van Patrick Karg.

Steun ons!
Onze studenten dragen vrijwillig bij aan Red Pers. Vond je dit een goede productie? Sponsor dan onze koffie (€ 2,50), redactievergadering (€ 10,-) of grotere investering. Dankjewel!

Jelle Holtzapffel