Je recht halen met de kroongetuige: altijd op het randje van gevaar

Beeld: Lotte Schuengel

Het Nederlandse openbaar ministerie maakt geregeld dankbaar gebruik van kroongetuigen, zoals in de vervolgingen van Willem Holleeder en Ridouan Taghi. Maar dat is niet zonder gevaar, merkt redacteur Dim Berendse op.

Een kroongetuige is een getuige die zelf verdachte is in een strafzaak. In ruil voor een beloning legt hij verklaringen af tegen één of meer andere verdachten. Vooral in zaken tegen de georganiseerde misdaad kunnen kroongetuigen een belangrijke rol vervullen. Het gaat dan om criminele organisaties, die vaak worden geleid door moeilijk traceerbare kopstukken. Wanneer de kroongetuige zelf uit de criminele organisatie komt weten ze vaak veel over de werkwijze en structuur binnen de organisatie. Hun verklaringen kunnen dan cruciaal zijn.

Aan de hand van de verklaringen van kroongetuigen als Peter la Serpe en Fred Ross, volgden snel succesvolle veroordelingen in het Passageproces, tegen topcriminelen afkomstig uit de organisatie van Willem Holleeder.

Maar tijdens dit proces klonk ook veel kritiek vanuit de praktijk op de werkwijze van het Openbaar Ministerie met kroongetuigen. Zo zouden er financiële voordelen zijn geboden aan getuigen in ruil voor de verklaringen terwijl de wet dat juist verbiedt. Maar de discussie schiet pas echt in een stroomversnelling, als de broer en advocaat van kroongetuige Nabil B. worden vermoord.

‘Het is wel een feit dat tot La Serpe en Ross, al die liquidaties uit de jaren ’90 uit de hoek van de zogenaamde poldermaffia niet werden opgelost’

Diepe crisis in de opsporing

Het verhaal over kroongetuigen in Nederland begint bij de IRT-affaire. Na onderzoek bleek dat politiekorpsen uit Amsterdam en Utrecht sinds de jaren tachtig gebruik hebben gemaakt van omstreden opsporingsmethoden. Zo werden er expres drugs doorgelaten om bij de top van een criminele organisatie te komen. Ook zou de politie zonder wettelijke basis en zonder medeweten van het OM, deals hebben gesloten met informanten. Midden jaren negentig concludeert de commissie-Van Traa in hun rapport dat er sprake is van een diepe crisis in de opsporing.  

Bram Groothoff, docent strafrecht aan de Vrije Universiteit en afgestudeerd op het gebied van kroongetuigen, vertelt onder meer over het ontstaan van de kroongetuigenregeling. “De kroongetuigenregeling is voor een belangrijk deel tot stand gekomen op basis van de aanbevelingen van de commissie-Van Traa,” zegt hij. “Daar werd eigenlijk gezegd: wij zien niks in het aanbieden van volledige immuniteit aan kroongetuigen. De georganiseerde misdaad had nog niet een dusdanig niveau bereikt in Nederland, dat een dergelijk middel gerechtvaardigd zou zijn.”

Ondanks deze terughoudendheid naar aanleiding van de IRT-affaire benadrukte de commissie wel dat kroongetuigen mogelijk een effectief middel kunnen zijn in de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Volgens Groothoff is dat later in de praktijk ook gebleken. “Het is wel een feit dat tot La Serpe en Ross, al die liquidaties uit de jaren ’90 uit de hoek van de zogenaamde poldermaffia niet werden opgelost,” zegt Groothoff. “Daaruit zou je wel voorzichtig kunnen concluderen: kroongetuigen zijn belangrijk. Maar een oordeel over de effectiviteit van kroongetuigen in het algemeen blijft lastig.’’

Pas in 2006 komt er een duidelijke regeling over kroongetuigen. In ruil voor de getuigenverklaringen van kroongetuigen mag het OM volgens de wet alleen een strafkorting van maximaal vijftig procent geven. Enige financiële toezeggingen in ruil voor verklaringen zijn in de kroongetuigenregeling uitdrukkelijk verboden.

Een deal van € 1,4 miljoen

In de praktijk blijkt er een aantal bezwaren. De kroongetuigenregeling zou alleen voor grote criminelen aantrekkelijk zijn. Daarbij zouden de verklaringen van kroongetuigen ook onbetrouwbaar zijn.

De kroongetuigendeal bestaat uit twee overeenkomsten: een verklaringsovereenkomst en een beschermingsovereenkomst. Beide deals worden gesloten door het Openbaar Ministerie.

Volgens de wet is het alleen mogelijk via de verklaringsovereenkomst strafkorting te geven aan kroongetuigen in ruil voor een belastende verklaring. Maar het OM hoeft de details van de beschermingsovereenkomst niet naar buiten te brengen, in tegenstelling tot de verklaringsovereenkomst. Wat justitie over de bescherming precies afspreekt met de kroongetuige kan daarmee door geen enkele rechter worden getoetst.

Nederland ervaart de moord op advocaat Derk Wiersum als een aanslag op de democratische rechtsstaat

Vooral vanuit de advocatuur klinken geluiden dat het Openbaar Ministerie via deze geheime beschermingsovereenkomst toch financiële uitkeringen zou doen. Begin 2007 wordt de eerste kroongetuigendeal gesloten met huurmoordenaar Peter la Serpe. Zijn verklaringen golden als cruciaal bewijs in het voor het OM zeer belangrijke Passageproces. De NOS bracht in 2012 echter documenten naar buiten, waaruit bleek dat La Serpe 1,4 miljoen zou krijgen om een nieuw leven op te bouwen. Het Openbaar Ministerie heeft dit echter nooit bevestigd – en volgens een uitspraak van de hoogste rechter van het land, vorig jaar, hoeft dat ook niet.

De dood van Derk Wiersum

Begin 2018 gaat het mis. Als Nabil B. op 23 maart 2018 wordt gepresenteerd als kroongetuige in het Marengoproces tegen onder meer Ridouan Taghi, wordt zes dagen later zijn broer doodgeschoten. Ongeveer anderhalf jaar later volgt zijn advocaat Derk Wiersum. Nederland ervaart vooral het laatste incident als een aanslag op de democratische rechtsstaat.

Groothoff: “Toen ik mijn scriptie schreef, ging het debat nog over het voorstel vanuit het OM en Fred Teeven [voormalig staatssecretaris van Justitie, red.] om het percentage strafvermindering te gaan verhogen, zodat je meer kroongetuigen kon inzetten, omdat er zo’n succes was geboekt in het Passageproces. Na de moord op zo’n broer van een kroongetuige werden ze daar veel terughoudender in. Dat laat ook wel zien dat je telkens achter de feiten aanloopt.”

Daags na de moord op de broer van kroongetuige Nabil B. volgen er uiteenlopende reacties, sloeg de discussie om naar de vraag óf we überhaupt wel kroongetuigen moeten inzetten. Voormalig hoogleraar strafrecht Theo de Roos zei daarover tegen de Volkskrant: “Misschien dat je een kroongetuige in minder moorddadige zaken nog wel kunt blijven gebruiken. Maar in de mocrowar is er sprake van zó een extreme gewelddadigheid. Die jongens deinzen nergens voor terug”.

Groothoff ziet dat anders. “Mijn gevoel zegt dat je standvastig moet zijn. Het komt erop neer dat wanneer je begint met de inzet van kroongetuigen, het me onverstandig lijkt om te stoppen met die inzet wanneer er zoiets gebeurt als bij de broer en de advocaat van Nabil B.” Dat geeft een verkeerd signaal af, denkt hij. 

Toen de regering de nogal terughoudende kroongetuigeregeling bedacht in de jaren negentig, was het karakter van de georganiseerde misdaad en daarmee de rol van de kroongetuigen heel anders. De vraag voor de toekomst blijft dus óf, en hoe, we kroongetuigen willen in zetten tegen de nieuwe, georganiseerde misdaad. Groothoff: “Bepaalde organisaties zijn nu zo gewelddadig dat je kan betwijfelen of dat standpunt van de commissie-Van Traa, van dertig jaar geleden, nog steeds geldt voor Nederland.”

Steun ons!
Onze studenten dragen vrijwillig bij aan Red Pers. Vond je dit een goede productie? Sponsor dan onze koffie (€ 2,50), redactievergadering (€ 10,-) of grotere investering. Dankjewel!

Dim Berendse