De Cancer Center

Foto: Lisa Aardewijn

Deze column gaat over kanker. Het woord dan, niet de ziekte gelukkig. Of nu, een beetje van beide eigenlijk.

Ik woon tegenover een studentenvereniging. Vanaf driehoog kan ik meegenieten van het gelul en gelal van de horde dronkaards die zich elke avond onder mijn raam verzamelt. Als de wifi van de buurman er weer eens uit ligt, dan klap ik mijn laptop dicht, schuif ik het raam omhoog en laat ik mij vermaken. “Weet je wie er laatst naakt in mijn fusie lag?” Ik wel.

Voor ik hier woonde wist ik niet hoe fascinerend een gesprek tussen twee dronken mensen kan zijn, simpelweg omdat ik voorheen altijd zelf het gesprek voerde. Nu laat ik mij met een fris hoofd bedienen van de beschonken hoorspelen vol achterklap en intrige, emotionele confessies en blinde woede. Zinnen hebben kop noch staart, voor argumentatie is geen plaats, iedereen zegt gewoon precies wat -ie op z’n lever heeft. Helaas is dat voornamelijk kanker.

Het gaat van kankertjekut-kjenker-de-holycancer. Niemand is gewoon een slet, maar een kankerslet. Geen mongool, maar zo een die ook nog terminaal is. De krachtterm werkt tevens beide kanten op. Vind je iets meer dan chill, en dekt het woord ‘geweldig’ nog net niet de lading, dan biedt kanker de uitkomst. Kankerchill, toch?

Het gaat van kankertjekut-kjenker-de-holycancer

Onlangs deed ik mijn beklag bij een goede vriend. We zaten ’s avonds bij mij thuis toen we vanaf de overkant geschreeuw hoorden. “Word je nooit gek van die herrie?”, vroeg hij. Het volume was niet het probleem, legde ik hem uit. “Maar dat gekanker de hele tijd”, begon ik. Ik keek hem aan en hij begon te lachen. “Wat?” Hij begon harder te lachen. “Gast, je hebt het vanavond zelf al zeker vijf keer gezegd!” Voor een tel was het stil. We hebben er daarna hard om gelachen.

Mijn goede vriend had kanker gehad. In zijn nek kon je het litteken nog zien van waar ze de tumor hadden verwijderd. Ik zie hem nog aan komen lopen op de Beestenmarkt in Delft: kale kop, dik gezicht. Ik geloof niet dat wij in die tijd zijn gestopt met kankeren. Wel kan ik me voorstellen dat ik heb gewacht tot hij het als eerste zei, zodat ik wist dat het mocht. 

De ziekte was door de jaren heen vaak genoeg onderwerp van onze gesprekken geweest. We praatten over zijn ziekbed en over het verdriet, en dan was het altijd de vraag wie er het eerst over zou beginnen: de Cancer Center. In een plat Amsterdams accent zou een van ons het roepen, en de ander riep het dan na. Meer hoefden we niet te zeggen. Het bracht ons terug naar een herinnering van jaren geleden. We zaten samen in de trein, hij was alweer genezen. Op weg naar Amsterdam passeerden we het kankerinstituut van het VU medisch centrum: de Cancer Center.

Hé gappie! Ga je straks nog effe mee naar de Cancer Center?

Het gebouw oogde speels, opgebouwd uit blauwe en rode blokken. Het had niets weg van een medisch instituut, eerder van een foute nachtclub. Vanuit de trein keken we ernaar. “De Cancer Center,” las ik hardop. Mijn vriend herhaalde het, op z’n Amsterdams. “Hé gappie! Ga je straks nog effe mee naar de Cancer Center?” De Cancer Center?” “Ja gap, de Cancer Center. Das die nieuwe tent daaro tegenover het spoor.”

We hadden er de grootste lol om.

In de coupé heeft die dag vast een mevrouw met samengeknepen billen geluisterd naar onze misselijke humor. “Hé schat, hoe was ’t in Amsterdam?” “Reuzegezellig! Maar daarna in de trein terug…” “O, wat dan schat?” “Twee jongens, geen verkeerde knapen, maar dat gekanker…”  

Steun ons!
Onze studenten dragen vrijwillig bij aan Red Pers. Vond je dit een goede productie? Sponsor dan onze koffie (€ 2,50), redactievergadering (€ 10,-) of grotere investering. Dankjewel!

Cees van den Boom
Latest posts by Cees van den Boom (see all)