Bioscopen en musea weer open: al snel heb je het rijk alleen

De culturele sector mag per 1 juni weer open, maar dan wel in een anderhalvemetersamenleving. Hoe werkt dat? Redacteur Anna Livia de Kort onderzoekt in het tweede deel van een tweeluik hoe bioscopen en musea er na corona uitzien.

Het Tropenmuseum in Amsterdam is interactief. Dat betekent dat er ook veel ‘aanraakdingen’ zijn, zoals marketingmanager Amber van Schagen het noemt. Maar hoe ga je daarmee om als er een pandemie heerst?

“We hebben bedacht dat je als bezoeker je eigen koptelefoon kunt inpluggen. Ook krijg je bij de ingang een stokje, zodat de digitale schermen toch gebruikt kunnen worden,” zegt Van Schagen. “Maar de objecten die je echt aanraakt, zoals een ballenbak, moeten we helaas weghalen.”

Culturele instellingen zoals bioscopen, cultuurhuizen en theaters mogen open per 1 juni, met een maximumaantal bezoekers van dertig man. Vanaf 1 juli mag dit aantal worden uitgebreid tot maximaal honderd bezoekers.

Voor musea gelden andere regels: maximaal één ‘gezelschap’ (kan een gezin zijn, maar ook huisgenoten) is toegestaan per 10 vierkante meter. Musea kunnen zich op basis van het protocol dat de Museumvereniging heeft opgesteld voorbereiden en de nodige maatregelen treffen.

Van dertig naar zes mensen in de zaal

Wie straks een museum wil bezoeken, moet in een bepaald tijdslot reserveren en krijgt een digitaal ticket toegestuurd. Voor het Tropenmuseum was het opzetten van dat digitale systeem wel even een uitdaging, vertelt Van Schagen.

“Er komt als museum veel bij kijken, onder andere de vraag hoe je de tijdsloten gaat indelen,” zegt ze. In het museum begint er om het kwartier een nieuw tijdslot. “We gaan ook banieren en posters ophangen met de regels erop.” Wat in elk geval scheelt, is dat het museum al een bepaalde looproute hanteert. “Je begint bij het begin en je loopt gewoon door. In principe hoef je immers ook niet terug.”

‘Een museum zonder mensen is geen museum’

Voor nu kijkt het Tropenmuseum nergens tegen op. “We hebben het geluk dat we veel vloeroppervlakte hebben,” zegt Van Schagen. “We hoeven niet door kleine zaaltjes en daar creëer je gemak mee.” Waar op een normale doordeweekse dag vijfhonderd mensen in het museum tegelijk terecht kunnen, zijn dat er nu alsnog driehonderd. “Vooralsnog zien we geen beren op de weg en we hebben ontzettend veel zin om weer open te gaan. Een museum zonder mensen is geen museum.”

Vrijwilligers in de risicogroep

Het Amsterdamse museum heeft het, naar eigen zeggen, best goed getroffen. Toch zijn er ook veel kleinere musea, die minder bezoekers tegelijkertijd kunnen ontvangen: het Volksbuurtmuseum in Utrecht, bijvoorbeeld.

In het Volksbuurtmuseum kunnen per half uur zo’n acht mensen naar binnen. “Dit betekent dat we geen grote groepen kunnen uitnodigen, zoals basisschoolklassen of mensen die op een groepsuitje zijn”, legt communicatiecoördinator Christel Schatorjé uit. “De randprogrammering kan bovendien niet plaatsvinden: geen filmvertoningen en lezingen meer. Normaal kunnen we in ons zaaltje daarvoor dertig mensen plaatsen, nu zouden dat zo’n zes zijn.”

Bijkomend probleem is dat in het Volksbuurtmuseum veel vrijwilligers binnen de risicogroep vallen. “Een groot aantal van onze vrijwilligers is ouder dan zeventig jaar,” zegt Schatorjé. De Museumvereniging adviseert daarom die vrijwilligers niet in te zetten. “Maar laten dit nou juist de mensen zijn, die staan te springen om weer aan de slag te kunnen.”

‘Als de stoel naast je bezet is door een neppe Leonardo di Caprio, zit je toch niet helemaal alleen in een lege zaal’

Hoewel het museum per 1 juni coronaproof is, hoopt Schatorjé dat mensen wel durven te komen. “Onze doelgroep is wel wat ouder, dus we zijn erg benieuwd of er die wel wíl komen. Je kan ook anders denken: het is een klein museum, dus je bent al snel bijna de enige in het museum. Dat creëert een veiliger gevoel, dan in een groot museum waar honderden mensen op afkomen,” zegt ze hoopvol.

Minder ouderen in de bioscoop?

Daan de Wit runt Lab111, een cult-bioscoop in Amsterdam-West. Hij heeft ruim twee maanden de tijd gehad om na te denken over hoe de anderhalvemeterbioscoop werkt: per 1 juni mag ook de bioscoop weer open. Eén van de ideeën is om een grote print te maken met iconische filmkarakters, en die dan op lege stoelen plakken. “Ik kan me best voorstellen dat je de humor ervan kunt inzien als de stoel naast je bezet is door een neppe Leonardo di Caprio,” zegt hij. “Zo zit je toch niet helemaal in een lege zaal.”

De Wit vertelt dat ze flink wat maatregelen hebben moeten treffen om iedereen op een fijne en veilig manier te kunnen ontvangen. “Om bezoekersstromen te scheiden, programmeren we onze films zo dat in-en uitloop van zalen nooit tegelijk plaatsvindt,” zegt hij.

Bij de entree en bij de ingang van de zalen zijn ‘hygiënestations’ te vinden. Daarnaast heeft de bioscoop speciale wachtruimtes ingericht zodat er telkens anderhalve meter afstand gehouden kan worden. “De capaciteit van de zalen is flink teruggeschroefd en de tijd tussen voorstellingen gebruiken we om alles grondig schoon te maken,” zegt De Wit. Op meerdere plekken in het pand hangen informatieposters, en bij binnenkomst staan alle maatregelen en tips op schermen aangegeven.

Voordat de maatregelen versoepeld werden, dacht men bij Lab111 erover na om onderscheid te maken tussen jongeren en ouderen. “Het is gebleken dat ouderen kwetsbaarder zijn voor het virus. Zo wilden we bijvoorbeeld in de avond meer jonge mensen toelaten, bijvoorbeeld honderd man. En in de middag vooral ouderen, met een beperkt aantal van dertig man.”

Het plan om jonge en oude bezoekers te onderscheiden, gaat Lab111 niet meer doorzetten, zegt De Wit. “Er valt zeker wat voor te zeggen, maar er is ook een aantal nadelen. We willen ons vooral zo gastvrij mogelijk opstellen binnen alle maatregelen. We zijn een plek waar iedereen zichzelf kan en mag zijn. Daar hechten we veel waarde aan.”

Steun ons!
Onze studenten dragen vrijwillig bij aan Red Pers. Vond je dit een goede productie? Sponsor dan onze koffie (€ 2,50), redactievergadering (€ 10,-) of grotere investering. Dankjewel!

Anna Livia de Kort