Wij zijn de goeden

Foto: Lisa Aardewijn
Leestijd: 2 minuten

Een goede daad maakt de wereld een beetje beter. Maar in alle eerlijkheid verdwijnt dat ‘beetje’ vaak in eigen zak. Cees van den Boom schreef er zijn eerste column over. 

Een paar weken terug stapte ik op een avond nietsvermoedend uit de trein op het perron in Leiden. Voor mij zag ik hoe een jonge vrouw zich al kotsend naar de grond bewoog. Achter mij stroomde een menigte ongehinderd langs de vrouw het perron op, terwijl ik naar haar bleef kijken. De vrouw zwalkte over de grond, maar ik zag dat ze niet dronken was. Dat maakte het tafereel niet minder zorgwekkend.

De menigte was gepasseerd en ik hurkte voor haar om te vragen of ze wat water wilde. Ik had niet eens water bij me, maar zonder EHBO-diploma wist ik verder niet wat te doen. De vrouw schudde haar hoofd, ze wilde geen water. Ondertussen had een andere man zich bij ons gevoegd, om te vragen of de vrouw oké was. We konden weinig voor haar betekenen.

Ik werd op mijn schouder getikt door een conducteur die vroeg of ‘wij’ bij elkaar hoorden. Ik schudde mijn hoofd en suggereerde dat ze wellicht wat water nodig had. Een team van vier conducteurs nam de zorg over en ik zag dat mijn rol in de situatie was uitgespeeld. Ik volgde de andere man richting de trap van het perron. Bij de reling keek hij om, ik schatte hem rond de dertig. Hij stopte, legde een hand op mijn schouder en stak glimlachend een duim op. We zeiden beiden niks, maar in zijn blik las ik de woorden. Wij zijn de goeden.

Ik had die vrouw niet gered, noch kunnen redden als dat nodig was geweest

Ik verliet het station met een stiekeme glimlach op mijn gezicht. Op de fiets naar huis speelde ik de beelden nog eens af. Voordat ik er erg in had zat ik te bedenken hoe ik het verhaal zou doorvertellen. Het verhaal van hoe ik… en die vrouw… en toen ik… Wat viel er eigenlijk te vertellen? Mijn handelen in dit scenario maakte mij toch geenszins een held. Ik had die vrouw niet gered, noch kunnen redden als dat nodig was geweest.

Daar ging mijn verhaal. Op dat perron was niks gebeurd om trots op te zijn. De schouderklopjes die ik zonet voelde waren van eigen hand. Ik had die vrouw geen dienst bewezen. Als een hoerenloper moest ik jammerlijk concluderen dat het voor mij toch meer had betekend dan voor haar. Thuis aangekomen was de glimlach mij vergaan.

En toch, denk ik nu. En toch was het iets goeds geweest. De man en ik hadden daar niet voor Jan Lul gestaan. Wel met lege handen, maar niet voor niets. Was de vrouw ineens bloed gaan spuwen, en was het perron verlaten geweest, hadden wij dan langs haar moeten lopen? “Sorry mevrouw, ik heb geen flesje water bij me.” “Ja, en ik zie zo al dat u niet oké bent.”

We zouden bij haar zijn gaan zitten, de man en ik. Zo was ze tenminste niet alleen gestorven. En wij hielden onze beste bedoelingen.

Steun ons!
Onze studenten dragen vrijwillig bij aan Red Pers. Vond je
dit een goede productie? Sponsor dan onze koffie (€ 2,50), redactievergadering (€ 10,-) of grotere
investering. Dankjewel!