Het beleid voor de lijdende student

Foto: Pedro Figueras / Pexels

De huidige generatie studenten lijdt hevig onder de hoge prestatiedruk en het aantal mentale klachten stijgt. Dit zorgwekkende beeld schetst het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) in een nieuw rapport. Maar is het echt zo slecht gesteld met het mentale welzijn van de student? En wat is de rol van de universiteiten hierin?

Allereerst het ISO-rapport waar de commotie aan het einde van 2019 om begon. Het rapport is een samenstelling van achttien onderzoeken uitgevoerd door verschillende hoger onderwijsinstellingen over de afgelopen vijf jaar. In het rapport analyseert het ISO de verzamelde onderzoeken.

Acht procent van de studenten loopt risico een suicïdepoging te ondernemen

De percentages die uit het rapport naar voren komen, zijn verontrustend. Zo wordt in het rapport gesteld dat meer dan de helft van alle studenten burn-out klachten ervaart en dat acht procent van de studenten risico loopt een suicïdepoging te ondernemen.

Te weinig wetenschappelijk

Vanuit de wetenschap kwam veel kritiek op het rapport van ISO, en met name de wijze waarop de cijfers tot stand zijn gekomen. Zo heeft het ISO onderzoeken samengevoegd die op verschillende wijzen zijn afgenomen, en volgens critici dus niet te vergelijken zijn.

“Dat leidt tot problemen”, stelt Jeanette van Rees, werkzaam als studentenpsycholoog aan de Universiteit Utrecht en voorzitter van de sectie studentenpsychologen bij het Nederlandse Instituut van Psychologen (NIP). “De term burn-out wordt bijvoorbeeld nergens in het onderzoek gedefinieerd. Bij een burn-out is sprake van volledige uitval, zowel fysiek als mentaal. Dat is gelukkig echt niet bij zoveel jongeren het geval als het rapport doet vermoeden, dat komt door een gebrek aan definities.”

Ook minister Ingrid van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) reageerde terughoudend op het rapport van het ISO. Eerst wil de minister nieuw onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) afwachten voor er nieuw beleid komt.

Het RIVM-onderzoek was al eerder door de minister aangekondigd. In een brief aan de kamer schreef ze dat het onderzoek de mentale problemen van jongeren in kaart moet brengen. De uitkomsten worden eind 2020 verwacht. Van Rees vindt de reactie van de minister logisch. “Je kunt niet zomaar beleidsplannen maken op basis van het ISO-onderzoek. Dat onderzoek is simpelweg te weinig wetenschappelijk. Daarnaast moet goed gekeken worden naar wat er al aan beleid is.”

Is de commotie rondom mentale gezondheid van studenten dan helemaal overdreven? Zover wil Van Rees niet gaan. “Ik heb zeker wel dingen zien veranderen de afgelopen tien jaar. Met name het aantal studenten dat rondloopt met faalangst heb ik zien toenemen. Ook signaleer ik bij veel studenten het idee dat ze al van alles moeten kunnen in plaats van mogen leren. Daarin zie ik wel een negatieve trend.”

Kastje naar de muur

Marlous (24) kwam twee jaar geleden in aanraking met de studentenpsycholoog van Universiteit Utrecht. De studie viel haar destijds zwaar en leidde tot oververmoeidheid. Ze vatte het plan op om met haar klachten naar de studentenpsycholoog te gaan: “Dat leek me toch een makkelijke manier om mijn klachten te bespreken.” Omdat de wachttijd voor de studentenpsycholoog bijna twee maanden bedroeg, stapte ze naar de huisarts om hulp te krijgen. Vervolgens werd ze van het kastje naar de muur gestuurd: de huisarts zei dat de studentenpsycholoog het snelste hulp zou kunnen bieden, maar de studentenpsycholoog vond dat haar klachten al te vergevorderd waren.

Ik weet eigenlijk niet zo goed waar ze voor zijn

Na lang wachten kwam Marlous uiteindelijk via de huisarts bij een reguliere psycholoog terecht. Inmiddels zijn haar klachten weer verholpen. Toch heeft die periode Marlous wel aan het denken gezet over de rol van de studentenpsycholoog. “Ik weet eigenlijk niet zo goed waar ze  voor zijn. Voor mijn gevoel staan ze overal een beetje tussenin. Ze verwijzen je bijvoorbeeld ook niet door. Mijn klachten kwamen voor mij duidelijk voort uit studiedruk en op de website beweren ze daar hulp voor te bieden. Ik heb uiteindelijk echter, wat betreft de universiteit, meer steun gehad aan het contact met mijn studieadviseur.”

Drempelverlagend

Onderwijsinstellingen zelf zeggen geen moeite te hebben met het bepalen van hun rol. Volgens Kim van Gennip, afdelingshoofd studentenzaken aan Universiteit van Amsterdam (UvA) dient de universiteit met name hulp te bieden bij milde, studiegerelateerde klachten. Voor die klachten heeft de universiteit een studentenpsycholoog in dienst. Voor meer diepgaande psychische klachten dienen studenten naar een huisarts of GGZ-praktijk te worden doorverwezen.

Ook Jeanette van Rees hanteert deze aanpak bij de Universiteit Utrecht. “Doorverwijzen kun je in het geval van dieperliggende problematiek maar beter direct doen, aangezien dat eerlijker is naar de student. Ook zorgt dit ervoor dat een student later niet opnieuw een intake hoeft te doen bij de huisarts of GGZ. Hij of zij krijgt een brief mee van de studentenpsycholoog.”

De kracht van de studentenpsycholoog is volgens Van Rees dat het de drempel voor studenten verlaagt om met hun psychische problemen aan de slag te gaan. “Je hoeft immers niet naar de huisarts, niet naar je zorgverzekering, je hoeft zelfs je ouders niets te vertellen. Je kunt er zo een afspraak maken.”

De volledige naam van Marlous is bij de redactie bekend.

Steun ons voor € -
Jelle Holtzapffel