Ik moet jullie iets vertellen

Bouke van Balen. Foto: Olivier Overberg

En het gaat over de eeuwige discussie die in elke relatie of vriendschap een keer de kop opsteekt: hond of kat? Zo ook tussen mijn vriendin en mij. Mijn positie staat al voor zover ik me kan herinneren vast: ik ben team hond. 

Een hond kan van je houden en oprecht blij zijn als hij je ziet. Ooit een kat gezien met puppy-ogen en een kwispelende staart? Die blij naar je toe komt rennen als hij je ziet, zelfs als het maanden geleden is? Ik in ieder geval niet. Katten geven je kopjes totdat jij ze een kopje eten voorschotelt. Kopje voor kopje. Een kille transactie, daar is geen liefde mee gemoeid. Mijn ouders hebben een kat en het beest keurt me nooit een blik waardig als ik er ben. Altijd moet ik als een verslagen romanticus staan schudden met zijn blik vol brokjes voordat hij überhaupt ziet dat ik besta. Dat terwijl de hond van mijn opa en oma steevast door het dolle is als ik langskom. En ik kom bijna nooit langs, want ik ben een slechte kleinzoon. 

Mijn vriendin is opgegroeid met katten. Ze begrijpt katten en katten begrijpen haar. Soms denk ik zelfs dat ze er eentje is. Van haar tante weet ik het eigenlijk wel zeker. Je kunt je voorstellen hoe het hond-kat-debat tussen ons verloopt. 

Maar goed, ik schrijf deze column met een reden. Ik moet namelijk iets vertellen, en ik denk dat ik met deze biecht namens veel mannen spreek. Ik word later zo’n vader die net doet of hij niet van de kat houdt, maar hem stiekem aait wanneer niemand het ziet. 

Het ziet er zo gezellig uit, al dat spelen en dat spinnen.

Ik vind katten leuk. Maar ik ben te ongemakkelijk om met ze om te gaan. 

Ik vind katten misschien wel even leuk als honden. Ze zijn alleen onbegrijpelijk voor mij. Vroeger hadden mijn ouders een kat die me altijd beet als ik hem probeerde te aaien. Ik heb een groot onvermogen om katten te lezen. En ik durf ze ook niet op te pakken. Waar houd je zoiets vast? Wat als hij pijn krijgt, en gaat krabben en krijsen zoals katten dat kunnen? Altijd als ik toenadering zoek tot een kat heb ik het gevoel dat ze mijn onzekerheid kunnen voelen. Dus pak ik er maar brokjes bij. 

Ik ben eeuwig jaloers op mensen die wel met katten om kunnen gaan. Het ziet er zo gezellig uit, al dat spelen en dat spinnen. Uit pure onmacht doe ik maar alsof ik katten niet mag. Mijn vriendin, het kattenmens, kan met elke kat bonden. Haar kat heeft ooit kittens gebaard in haar bed. Terwijl zij er nog in lag. Het valt niet te ontkennen dat dat gewoon heel lief is. Ik weet zeker dat de kat van mijn ouders haar herkent. En daar is geen brokje aan te pas gekomen. 

Steun ons voor € -

 

Bouke van Balen

Bouke (1997) studeert bèta-gamma aan de Universiteit van Amsterdam, en combineert daar neuropsychologie en filosofie. Hij schrijft columns, longreads en co-host de podcast voor Red Pers. Momenteel schrijft hij veel over de maatschappelijke impact van de digitalisering.