Nee, maar waar kom je écht vandaan?

Illustratie van Tim Mossholder @ Unsplash

‘Amsterdam’ is altijd mijn eerste antwoord geweest op de vraag waar ik vandaan kom. Blijkbaar volstaat dat niet, want de vraag wordt nog steeds vrijwel altijd opgevolgd door de zogenaamd verhelderende vraag: ‘Nee, maar waar kom je écht vandaan?’

Inmiddels blijft mijn antwoord steevast Amsterdam, omdat dat nou eenmaal voelt als thuis. Maar mijn jongere ik was minder weerbaar en heeft zich altijd ongemakkelijk en afgewezen gevoeld.

Wat voor een ander waarschijnlijk een onschuldige – of zelfs goedbedoelde – vraag is, kan voor personen van kleur enorm beladen en intiem zijn. Het is dan misschien ‘niet zo bedoeld’ of ‘puur nieuwsgierigheid’, maar de vraagstelling impliceert dat ik anders ben, Amsterdam niet mijn thuis is, en ik mijn bestaansrecht moet verantwoorden.

Want wat gebeurt er precies? Een witte Nederlander vraagt me waar ik vandaan kom, en ik antwoord dat ik uit Amsterdam kom. Vervolgens wijst de witte Nederlander dat antwoord (en daarmee een deel van mij) af door te vragen waar ik écht vandaan kom. Dat impliceert dat de witte Nederlander bepaalt wie zich als Amsterdammer mag identificeren. Die scheve machtsverhouding duidt op een nog altijd aanwezig probleem in onze diverse maatschappij: het idee dat een echte Nederlander wit is.

De kam van de luizenmoeders gleed niet door mijn haar zoals bij klasgenootjes

Dat ik anders ben, werd al vroeg duidelijk. De kam van de luizenmoeders gleed niet door mijn haar zoals bij klasgenootjes, er werd me verteld dat ik geen Sinterklaasmijter mocht knutselen omdat ik op Zwarte Piet leek, en wanneer de zon de melanine in mijn huid omhoog bracht, kreeg ik het n-woord vaker te horen. Als ik daar iets van zei, was de reactie dat ik er wel zo uitzag maar eigenlijk ‘gewoon’ wit was.

De afwijzing werd geïnternaliseerd en daar misschien nog veel sterker dan ik ooit van buitenaf had ervaren. Jaren probeerde ik mezelf kleiner te maken in een poging zo min mogelijk op te vallen, maar m’n uiterlijk bleef verraden dat ik niet alleen maar Nederlandse roots had: ronde billen, een hoofd vol krullen, en ogen zo donkerbruin dat de pupil amper van de iris te onderscheiden is. Tijdens het uitgaan krijg ik nog steeds standaard te horen dat ik zo lekker exotisch ben en het ongevraagd raden van mijn etnische achtergrond lijkt niet meer dan een spelletje.

Uiteindelijk gaat het niet eens om het antwoord, maar om de intentie van de vraag. Wie oprecht geïnteresseerd is, vraagt niet waar ik echt vandaan kom, maar naar mijn etnische roots en doorbreekt daarmee de instandhouding van vooroordelen en witte superioriteit die in de eerste vraag verborgen liggen.

Inmiddels een aantal stappen verder in het proces van zelfacceptatie, de zoektocht naar wie ik ben en wil zijn, waar ik écht vandaan kom maar vooral naartoe wil, geniet ik ervan dat mensen me niet meteen in een hokje kunnen plaatsen als ze me zien en m’n naam horen. Want zelfs ik, met voorouders uit Angola, Schotland, Portugal, en Nederland, kom ‘gewoon’ uit Amsterdam.

Steun ons voor € -
Ailis Oattes