Waarom zijn pedofielen niet welkom op de Pride?

Illustratie door Lotte Schuengel.

Hoe inclusief moet de Pride zijn? Het is een vraag die bij de editie van vorig jaar weer oplaaide. Want is pedoseksualiteit niet ook een geaardheid? Redacteur Tahrim Ramdjan sloeg de wetboeken erop na. 

Elke zomer kleurt de Amsterdamse binnenstad roze. Waar dat tot en met 2016 vanwege de Gay Pride was, is de naam van het evenement daarna gewijzigd in Pride Amsterdam. Dat is overigens de naam die het evenement in de jaren negentig ook al had. De naamswijzigingen illustreren de eeuwige worsteling van het evenement: heeft inclusiviteit grenzen? 

Dat is lastig te begrenzen, aangezien Pride streeft naar een inclusievere samenleving. Toch leken de grenzen vorig jaar opgerekt. Het zogeheten ‘Kinderbevrijdingsfront’ flyerde, nog voor de Pride begon, afgelopen zomer in het Vondelpark. De boodschap: ook pedoseksuelen horen thuis bij de Pride. “De Gay Pride heeft de mond vol van inclusiviteit van alle seksuele minderheden, maar ze proberen pedofielen dood te zwijgen”, zei initiatiefnemer ‘Mark Lucius’ onder een schuilnaam tegen het Algemeen Dagblad. 

Ontdane omstanders belden de politie, die de flyeractie beëindigde. De organisatie van Pride reageerde snel dat het Kinderbevrijdingsfront niet welkom was. Daarop diende Lucius een klacht in bij het College voor de Rechten van de Mens. Ook vroeg hij onder de hashtag ‘#PedoPride’ aandacht voor zijn situatie op Twitter.

‘Seksuele gerichtheid’

De wet waar Lucius zich op baseert, is de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Deze wet, die uit 1994 stamt, werkt het discriminatieverbod in artikel 1 van onze Grondwet verder uit. In de Awgb wordt expliciet discriminatie ‘op basis van hetero- of homoseksuele gerichtheid’ verboden. Lucius stelde voor het College dat zijn seksuele geaardheid daar ook onder moest vallen: er zijn immers binnen de groepen homo- en heteroseksuelen ook allerlei leeftijdsverschillen binnen koppels, redeneerde hij.  

Bij het College voor de Rechten van de Mens kunnen situaties getoetst worden aan, onder meer, de Awgb. Het College opereert onafhankelijk van de Nederlandse rechtspraak en is dus niet hetzelfde als een rechtbank of gerechtshof. Het heeft eerder een adviserende rol, hoewel men doorgaans veel autoriteit aan dat advies toekent.  

Zoals altijd in het recht, is de specifieke term ‘hetero- of homoseksuele gerichtheid’ niet uit de lucht komen vallen. In juni 2019 – toevallig vlak voor de Pride – heeft een aantal Kamerleden een brief gestuurd naar minister Kajsa Ollongren met de vraag, of de terminologie niet gewijzigd moet worden naar het inclusievere ‘seksuele gerichtheid’.

Overinclusie

Zij was daar huiverig voor. “[Er] moet worden gekozen voor een manier die zorgt dat overinclusie wordt voorkomen”, stelde ze. ‘Daarbij kan worden gedacht aan pedoseksualiteit of een seksuele gerichtheid op dieren.’ Biseksualiteit valt, volgens de regering al bij indiening van het wetsvoorstel in 1991, per definitie onder de noemer ‘hetero- of homoseksuele gerichtheid’ uit de Awgb. 

Discriminatie is, juridisch gesproken, het maken van onderscheid waar dat niet geoorloofd is. Maar discriminatie kan ook betekenen dat er geen onderscheid gemaakt wordt, waar dat wel geoorloofd is. De wetgever moet dus ervoor zorgen dat het onderscheid dat hij maakt, geoorloofd is. Het pijnpunt is echter dat pedofilie ook een seksuele geaardheid is, wat je er ook van vindt. Hoe kunnen we dan een legitiem onderscheid maken tussen enerzijds homoseksuelen, en anderzijds pedoseksuelen, als we hebben vastgelegd in de Awgb dat we, min of meer, op basis van geaardheid geen onderscheid mogen maken? 

De staat moet vertrouwen bewaren in de zelfstandigheid en rationaliteit van zijn burgers

Een oplossing daarvoor bestaat uit een tweetrapsraket. Ten eerste wordt in de Awgb niet over ‘geaardheid’ gesproken, maar specifiek over ‘gerichtheid’. Dat is geen onnodige formaliteit. ‘Gerichtheid’ omvat namelijk zowel je geaardheid als de daden die daaruit voortvloeien. Ten tweede komt het strafrecht erbij kijken. In het strafrecht is het erg lastig om een toestand strafbaar te stellen, in plaats van een daad. Het strafrecht is daarom gefocust op het bewijzen van feiten. We kennen bijvoorbeeld het verbod om harddrugs in bezit te hebben (een feit), maar niet om onder invloed daarvan te zijn (een toestand). 

In het Nederlandse recht is de oplossing gevonden om pedoseksuele daden strafbaar te stellen. De artikelen 244 en 245 van het Wetboek van het Strafrecht verbieden het (deels) seksueel binnendringen van het lichaam van een jongere onder de zestien. Gevangenisstraffen kunnen oplopen tot 8 jaar (bij slachtoffers tussen de dertien en zestien) of 12 jaar (bij slachtoffers onder de twaalf). 

Foto: Ronn. CC-BY-SA 4.0

Het strafbaar stellen van de pedoseksuele daad zorgt ervoor dat het gat in het begrip ‘homo- en heteroseksuele gerichtheid’, waar pedoseksuelen in terecht raken, wordt gedicht. Immers kan discriminatie ten nadele van pedoseksuelen, ondanks deze clausule in de Awgb, geoorloofd worden. En dat is dan ook de conclusie van het College: het Kinderbevrijdingsfront kan geen aanspraak maken op bescherming in de Awgb. 

Lucien Spee, directeur van Amsterdam Pride, zei in Het Parool na de uitspraak erg blij te zijn. “We vonden dat we al in ons recht stonden, maar het is goed dat het wordt bevestigd dat hun eisen niet binnen de wet vallen.” 

Toch is het onderscheid tussen pedoseksualiteit en andere geaardheden niet altijd zo strikt geweest. Dat beaamde Spee al. Volgens hem waren pedoseksuelen tot begin jaren ’70 welkom in de voorloper van de organisatie van de Pride. En uit een analyse van de Volkskrant bleek dat Nederland tot 1977 een senator kende die openlijk gelijke rechten voor pedoseksuelen bepleitte. Advertenties van pedovereniging Martijn werden volop in kranten gepubliceerd, de politie betrok hen zelfs bij de moord op een 11-jarig meisje wegens hun deskundigheid. 

In de loop der jaren is al het zware juridische geschut ingezet tegen de pedoseksuele zaak

In de jaren negentig verandert echter snel het politieke klimaat ten aanzien van pedoseksuelen. De staat zet steeds meer in op de aanpak van kindermisbruik. Dan volgen er twee mokerslagen. In 1995 arresteert de Amsterdamse politie zes personen die banden hebben met de pedovereniging, waardoor deze onder een vergrootglas komt te liggen. Een jaar later wordt men opgeschrikt door de zaak rondom de Belg Marc Dutroux, die jonge meisjes heeft ontvoerd, misbruikt en vermoord. Eind jaren ’90 werd de pedolobby plots in één adem genoemd met seksuele escapades en misdaad. Het is, in dat opzicht, ook niet geheel toevallig dat de Awgb – die in deze jaren is geschreven – expliciet niet rept over de pedoseksuele geaardheid. 

In reactie op SGP-kamervragen in 2003 antwoordde de toenmalige regering-Balkenende al dat pedoseksualiteit niet onder de Awgb kon vallen. En pedovereniging Martijn is niet meer: de Hoge Raad heeft bijna zes jaar geleden de vereniging ontbonden, omdat deze strijdig is met de openbare orde. Die maatregel wordt niet vaak ingezet, omdat deze in nauwe spanning verkeert met de grondrechtelijke vrijheden van meningsuiting en vereniging.  

In de loop der jaren is al het zware juridische geschut ingezet tegen de pedoseksuele zaak. Het strafrecht verbiedt de pedoseksuele daad, de Algemene wet gelijke behandeling biedt geen bescherming voor pedoseksuelen, en de grondvrijheden van pedovereniging Martijn kunnen rechtmatig worden beperkt. 

Juristen zien in het recht vaak een permanente compagnon. Mark Lucius dacht dat wellicht ook, maar kwam bedrogen uit. Hij staat er nu alleen voor. 


Steun ons voor € -

Tahrim Ramdjan

Tahrim (1998) is redacteur recht & maatschappij. Hij ziet zichzelf als een lokale kosmopoliet: een geboren en getogen Amsterdammer die in vier stadsdelen heeft gewoond. Hij is afgestudeerd in PPLE en studeert rechtsgeleerdheid aan de UvA, maar denkt verder waar de letter van de wet ophoudt en neemt je daarin mee.

Latest posts by Tahrim Ramdjan (see all)