Wie bijt de waakhond?

Prins Bernhard staat pers te woord op het Congres Verenigde Europese Journalisten in de Ridderzaal, 1978. Foto: Anefo

Vorige maand werd NOS-journalist Robert Bas door de Rotterdamse rechtbank gegijzeld, nadat hij in een getuigenis weigerde de identiteit van zijn bron op te geven. Maar wat heeft een rechter eigenlijk te zeggen over de journalistiek?

Hoewel Bas na een dag vol protesten werd vrijgelaten, bleef ik achter met vragen. Hoe kan een rechter overgaan tot gijzeling van een journalist? En zou een rechter ook mijn eigen journalistieke vrijheden kunnen inperken? Ik zocht het uit en sprak met Wubby Luyendijk, (plv.) chef Binnenland bij NRC, en Marcel Haenen, die zich eerder hardmaakte voor de discretionaire bevoegdheden van de journalist.

Wie de naam draagt

Sinds oktober vorig jaar is het ‘verschoningsrecht’ – het recht op bescherming van brongeheim – verankerd in het nieuwe artikel 218a van het Wetboek van Strafrecht. Dat houdt in dat journalisten niet verplicht zijn vragen te beantwoorden over de persoonsgegevens van hun bronnen, wanneer ze getuigen in rechtszaken.

De oplettende jurist vraagt zich dan al snel af wie er onder de noemer ‘journalist’ valt. In tegenstelling tot advocaat of arts, is ‘journalist’ namelijk geen wettelijk beschermd beroep. Iedereen kan zich journalist noemen. Artikel 218a reikt tot ‘getuigen […] als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring’. Een blogger mag zich dus ook ‘journalist’ noemen en zich beroepen op het verschoningsrecht. Is dat erg?

Marcel Haenen, NRC-verslaggever en initiatiefnemer van een demonstratie naar aanleiding van de gijzeling van Bas: “Elke gek in Nederland kan zich journalist noemen, en steeds meer gekken doen dat ook.” Maar wie mag zich dan wel journalist noemen? “Dat hangt er echt af van hoe serieus en met hoeveel toewijding je je werk uitoefent”, antwoordt hij.

“Dat er af en toe magistraten zijn die de betekenis van het recht niet zo goed begrijpen, komt misschien omdat het nog een tamelijk jong wetsartikel is.”

Wubby Luyendijk, werkzaam bij dezelfde krant en docent aan de journalistieke master van de Universiteit van Amsterdam, vindt het juist een goede zaak dat iedereen zich journalist mag noemen. “Je hebt verschillen tussen journalisten, maar op het moment dat je er een beschermde beroepsgroep van maakt, heeft dat consequenties voor de vrijheid van nieuwsgaring. Dat vind ik principieel onjuist, iedereen moet nieuws kunnen maken. Ongeacht gezindte, afkomst, politieke kleur of welke opleiding je hebt genoten.”

Ik vraag of ik dan ook journalist ben – een vraag die zowel juridisch en existentieel is. Luyendijk antwoordt dat ze mij een journalist vindt. “Ik vind jou een journalist,” antwoordt Luyendijk. “Dat wil zeggen dat je moet streven naar waarheidsvinding, een relevante context moet bieden, wederhoor moet toepassen, dat soort zaken. Als je gewoon stukjes schrijft met een mening, dan ben je een opiniemaker. Dat is wat anders dan journalistiek.”

Bron of journalist?

Artikel 218a biedt geen absoluut recht – recht dat geen uitzonderingen toelaat. Zo geeft het tweede lid van het wetsartikel een uitzonderingsclausule voor gevallen waarin het maatschappelijk belang zwaarder meeweegt, bijvoorbeeld bij een concreet gevaar voor de nationale veiligheid. Haenen: “Stel dat je als journalist weet dat er een terroristische aanslag gaat plaatsvinden, en justitie vordert dat van je. Dan is het toch goed dat dat wettelijk is geregeld.” Was er dan ook sprake van zo’n zwaarder wegend maatschappelijk belang in de zaak-Bas? Om tot gijzeling te komen, is er immers gebruik gemaakt van deze uitzonderingsgrond op artikel 218a. Een dag later verklaarde de rechtbank de gijzeling onwettig. Haenen: “Dat er af en toe magistraten zijn die de betekenis van het recht niet zo goed begrijpen, komt misschien omdat het nog een tamelijk jong wetsartikel is.”

Moeten we, naast de bron, ook de journalist beschermen in zijn discretie?

Los van de juridische inperking op het recht op bronbescherming, kunnen er ook gevaren buiten het recht loeren. Zo kan het tappen van gesprekken door de recherche tussen journalist en bron, soms zonder medeweten van de journalist zelf, de bescherming van deze bron op de helling zetten. Daarvoor gaan we even terug naar de zaak-Bas. Zo werd een gesprek tussen Bas en zijn bron ‘getapt’ door de recherche, en oordeelde de rechter-commissaris daarom dat de bron niet meer beschermd hoefde te worden, omdat zijn identiteit al bekend was. Haenen vindt het geen verrassing dat journalisten kunnen worden afgeluisterd, maar vindt het vooral kwalijk dat het gesprek aan het strafdossier werd toegevoegd. “Dat is levensgevaarlijk. Dat had justitie zich moeten realiseren.”

Niet alleen valt op dat de rechter-commissaris onder het verschoningsrecht uit kon komen, maar ook dat gesprekken van journalisten, zonder dat ze het zelf doorhebben, in de ‘tap’ van de recherche terecht kunnen komen. Dat laatste realiseert ook Luyendijk zich: “Dan moet je toch je telefoon gaan versleutelen en goede encryptie gebruiken om je bronnen te kunnen beschermen”. Moeten we, naast de bron, ook de journalist beschermen in zijn discretie?

Publieke waakhond

Het helpt om de zaak af te zetten tegen de Europese context. Zo heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens het in 2007 opgenomen voor de Nederlandse journalist Koen Voskuil die de Nederlandse staat aanklaagde. Voskuil stelde in dagblad Sp!ts publiekelijk de vraag of het handelen van de recherche in een onderzoek naar wapensmokkel, rechtmatig was. Toen Voskuil voor het Amsterdamse Gerechtshof weigerde zijn bron te openbaren werd hij 17 (!) dagen lang gegijzeld.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat toeziet op naleving van het in Nederland bindende Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), gaf aan dat bronbescherming voor journalisten een basisvoorwaarde is voor vrijheid van pers en meningsuiting. Dit omdat de pers als een ‘publieke waakhond’ fungeert. Overigens stond Haenen in deze zaak ook voor Voskuil op de barricade: “Het ging om een man die af en toe voor een dagblad werkte en op normale wijze zijn vak uitoefende.” Ook toen organiseerde hij een demonstratie.

Dat oordeel van het Europese Hof kwam al ruim voordat artikel 218a hier geïntroduceerd werd. Het lijkt er dus op dat Nederlandse journalisten kunnen rekenen op Europese bescherming. Het nadeel is dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens altijd pas jaren later over een zaak beslist en het een journalist niet in the heat of the moment kan bijstaan.

Waar de journalistieke integriteit bij wet geregeld is, is het in Nederlands recht nog steeds mogelijk om inbreuk te maken op dat recht, weliswaar enkel met een goede reden. Vormt dat dan ook reden voor pessimisme? Vooralsnog heeft de Europese rechter het laatste woord, en bovendien heeft de Nederlandse rechtsspraak zijn zelfcorrigerend vermogen bewezen door Bas snel vrij te laten. En zelfs als het recht niet mag baten, is het fijn om te weten dat de journalistieke gemeenschap niet ervoor terugdeinst om van zich te laten horen.


Steun ons voor € -

Tahrim Ramdjan

Tahrim (1998) is redacteur recht & maatschappij. Hij ziet zichzelf als een lokale kosmopoliet: een geboren en getogen Amsterdammer die in vier stadsdelen heeft gewoond. Hij is afgestudeerd in PPLE en studeert rechtsgeleerdheid aan de UvA, maar denkt verder waar de letter van de wet ophoudt en neemt je daarin mee.

Latest posts by Tahrim Ramdjan (see all)