What about whataboutism?

Foto Hubert Hitier (cc), bewerking Red Pers.

Een eeuwenoude retoriek maakt de laatste tijd opmars in een gloednieuw jasje: whataboutism. Politiek en de media worden ermee overspoeld. Waar komt de recente populariteit van dit retorisch foefje vandaan? En is het eigenlijk een goed argument? Redacteur Anna Herter zocht het uit.

Toen ik een jaar of zes was, kreeg ik op mijn kop omdat ik mijn kamer niet had opgeruimd. Te midden van de enorme bende aan Lego en Barbiepoppen zocht ik wanhopig naar een manier om mij te verdedigen. Ik dacht aan mijn broers wier dagelijkse kattenkwaad niet op één hand was te tellen. “Maar,” sputterde ik uiteindelijk, “de jongens hebben stiekem vuurwerk afgestoken!”

And you are lynching Negroes

Het erbij halen van andere zaken dan hetgeen onder vuur ligt gebeurt niet alleen onder jonge kinderen. Menig politicus – wettelijk geen kleuter meer – maakt dankbaar gebruik van dit retorische foefje. Op Donald Trumps twitteraccount gebeurt weinig anders: jullie zeggen dat ik discrimineer, maar Hilary Clinton gebruikt een onveilige server voor haar email. Neonazi’s terroriseren Charlottesville, maar veel aanhangers van linkse actiegroep Black Lives Matter zijn ook geen lieverdjes.

De argumentatietechniek is zo in trek dat het een nieuwe term heeft opgeleverd: whataboutism. Dit jasje past op argumentatievormen waarbij er wordt gewezen op een andere kwestie dan die ter discussie staat. Hebben we het over x, dan volgt er: but what about y? Het Britse koninklijk echtpaar Meghan en Harry willen het milieu sparen door maximaal twee kinderen te nemen. What about hun ontelbare vliegreisjes? De Pride in Amsterdam neemt het op voor homorechten. What about rassen- en sekseongelijkheid?

Wij schenden mensenrechten, and you are lynching negroes

De term is relatief nieuw, wat doet denken dat de stijlvorm dat zelf ook is. Niets is minder waar: whataboutism is niet eigen aan deze tijd en evenmin aan de Westerse politiek. Tijdens de Koude Oorlog zat de Sovjetpropaganda er vol mee. Kritiek op de Russische politiek werd steevast beantwoord met een verwijzing naar een Westerse misstand. Een satirisch Russisch grapje luidt dan ook: wij schenden mensenrechten, and you are lynching negroes.

Maar ook de Russen hebben het trucje niet uitgevonden. Aristoteles boog zich al over de vraag of deze retoriek valide argumenten of regelrechte drogredeneringen produceert. Alvorens ik me over die vraag buig eerst nog even dit: waarom is whataboutism de laatste tijd zo onder de aandacht? Waar de Koude Oorlog godzijdank voorbij is, vliegt whataboutism ons meer dan ooit om de oren. Twee verklaringen.

President Trump op zijn officiële Twitteraccount

En de Chinese kinderen dan?

Gemak dient de mens en daarmee de verspreiding van ondoordachte bijdragen. Tegenwoordig kan men in een vloek en een zucht een snel in elkaar geflanst commentaar de wereld in slingeren. Dat is vaak een bron van vermaak: leuker dan het lezen van de nieuwsberichten die verschijnen op mijn feed, vind ik het scrollen door de reacties. Naast het buitengewoon creatief gebruik van bovenkast en interpunctie, leiden hoogoplopende emoties tot soapwaardig materiaal. Ik kan niet anders dan concluderen dat het gemak waarmee wij tegenwoordig onze impulsieve standpunten kenbaar kunnen maken, de mate van onzorgvuldige formuleringen aanzienlijk vergroot. Dat deze bijdragen ook nog eens in een korset van rond de 240 tekens gegoten moet worden resulteert al snel in het opofferen van nuance.

In elke discussie ligt er wel iets voor het grijpen dat meer aandacht, meer geld of meer kritiek verdient.

De toegankelijke, interactieve media-arena lijkt een broedplaats voor whataboutism. Toen filantropen massaal geld doneerden aan de afgebrande Notre-Dame ontploften sociale media met aanwijzingen voor zaken waar dat geld beter aan besteed kan worden. Toen KNVB-wedstrijden werden verzet in verband met Ajax’ Europese succes, werd mijn tijdlijn overspoeld met sportwedstrijden die wél doorgingen. Bij de Nationale Dodenherdenking afgelopen mei vroeg men zich verontwaardigd af wanneer de slachtoffers van de politionele acties in Indonesië of de inzittenden van de MH17 eigenlijk hun minuten stilte krijgen.

What about globalisering? Sinds kort verschaft het internet ons toegang tot gebeurtenissen over de hele wereld. Dit biedt ons een onuitputtelijke bron aan potentiële whataboutisms: in elke discussie ligt er wel iets voor het grijpen dat meer aandacht, meer geld of meer kritiek verdient. Vrouwenvoetbal verdient meer aandacht, maar Mozambique is door een orkaan getroffen. Er moet meer geld in het onderwijs worden gepompt, maar de wantoestanden in de gezondheidszorg groeien met de dag. We eten te veel vlees maar onze kleding komt van uitgebuite Chinese kindertjes.


Presentator John Oliver in Last Week Tonight over whataboutism

Practice what you preach

Dat whatboutism te pas en te onpas wordt ingezet, moge duidelijk zijn. Maar is het ook een goed argument? Dat hangt er vanaf hoe je het gebruikt. Het is immers een verzamelterm voor een hoop verschillende stijlfiguren. Wat ik deed als kind, leerde mijn moeder mij, valt in de categorie ‘de pot verwijt de ketel dat-ie zwart ziet’. Ze was niet onder de indruk en m’n broers vonden me een snitch. De Russische propagandatechniek lijkt van hetzelfde kaliber: iemand verwijten wat je zelf ook niet goed doet. In retorisch jargon heet dit een tu quoque, of jij-bak. Je zegt dat roken slecht voor mij is, maar what about al die biertjes die jij wekelijks wegtikt?

Wanneer Trump zich met whataboutisms bewapent gaat hij vaak nog een stap verder en zet het argument in als red herring. Dat is niets meer dan een slinkse afleidingsmanoeuvre. De term is beter bekend in de filmwereld, waar het gebruikt wordt om foute hints te geven bedoelt om de kijker op een dwaalspoor te zetten. Een willekeurig mes dat naast een slachtoffer in een klassieke whodunnit ligt, bijvoorbeeld, dat uiteindelijk nergens iets mee te maken blijkt te hebben. Tijdens een discussie doet een red herring hetzelfde: het verschuift de aandacht naar een onderwerp dat irrelevant is met betrekking tot wat ter discussie staat. Roken is misschien niet goed, maar what about klimaatverandering – dát is pas slecht voor ons.

Ik denk dat we het er wel over eens zijn dat dergelijk whataboutism geen hout snijdt. We kunnen echter niet elk gebruik ervan afdoen als een ordinair ‘jij-bakken’ of een slinkse afleidingsmanoeuvre. Soms lijkt het meer op het door Aristoteles geïntroduceerde stijlfiguur ad hominem, in welk geval er wel degelijk een valide punt mee kan worden gemaakt. Dit is een retorisch stijlfiguur waarmee je de persoonlijkheid van je tegenstander in diskrediet brengt, en daarmee de validiteit van zijn argument in twijfel trekt. Als je mijn gerook zo vreselijk vindt, snap ik niet waarom je het zelf ook doet. Practice what you preach.

Niemand is perfect, dus is ieders kritiek op een ander per definitie hypocriet

Op die manier doe je iemand hypocriet, inconsistent en ongeloofwaardig lijken, en dat kan een terecht verwijt zijn  ̶  je valt iemand dan aan op de credibility van zijn uitspraak. Zo bezien hangt de geldigheid van een whataboutism af van wat je er mee probeert aan te vallen. Bij ons voorbeeld van Harry en Meghan is het erbij halen van hun vliegtuiggebruik geen geldige kritiek op hun kinderbeleid, maar wel op het inconsistente gedrag van het echtpaar. Op gelijke voet kan geen whataboutism mensonterend Russisch beleid rechtvaardigen, maar het kan wel degelijk de hypocriete houding van Amerikaanse critici aanstippen.

Niemand is perfect, dus alle kritiek hypocriet

In sommige gevallen is een whataboutism dus wel degelijk steekhoudend. Desalniettemin is het de vraag of we, zelfs in deze gevallen, blij moeten zijn met de strategie. Het is namelijk een enorme dooddoener. Zoals Britse televisiepresentator John Oliver het verwoordt: niemand is perfect, en dus is ieders kritiek op eeen ander per definitie hypocriet. De consequentie zou zijn dat iedereen altijd maar vrij kan doen wat hij of zij wil, en niemand het recht meer heeft hier iets van te zeggen. Dan kunnen wij het publieke debat in z’n geheel wel afschaffen.

Voor elk stukje vlees dat we laten staan zijn er de leren schoenen die we wél dragen

Naast dat iedereen tekortkomingen heeft, zullen er altijd dingen te vinden zijn die minstens zoveel aandacht of geld verdienen. Voor elk goed doel dat we steunen zullen er ontelbare goede doelen zijn die we links laat liggen. Voor elk stukje vlees dat we laten staan zijn er de leren schoenen die we wél dragen. Voor alles waar we aandacht aan besteden zijn er klemmendere kwesties. Dat schiet niet op: zo kunnen we het nergens meer over hebben.

Een gevaarlijke vrijbrief

Door ons geglobaliseerde, interactieve medialandschap steekt whataboutism de kop op. Het is een verzamelnaam voor verschillende argumentatievormen. In het geval van de tu quoque en de red herring verdient dit geen retorische schoonheidsprijs. Ingezet als ad honinem kan het wel degelijk valide zijn, maar ook een enorme dooddoener. Ook dan is whataboutism daarom geen vruchtbaar wapen om op te nemen in ons retorisch repertoire.

Want ja, er zijn altijd belangrijkere zaken, en mensen die meer geld doneren. Maar what about kleine beetjes die helpen, je steentje bijdragen? Dat ik niet elk goed doel kan steunen, neemt niet weg dat de euro die ik wel doneer goed kan besteed zijn. Of what about verantwoordelijkheid nemen voor je eigen acties? Iedereen heeft tekortkomingen, maar dat neemt niet weg dat wij die van onszelf kritisch onder de loep kunnen nemen. Als we whataboutism als vrijbrief gebruiken om elke kritiek mee weg te wuiven, is het einde zoek. Daarom stel ik voor om whataboutism in te ruilen voor een goed reflecterende spiegel.