Industrieel ontwerper in Syrië, cateraar in Nederland

Taal- en inburgeringsinstituut Pair in Utrecht. Foto: PAIR

Slechts een kwart van de statushouders die in 2014 naar Nederland kwamen heeft een eigen inkomen. Tegelijkertijd zijn er in Nederland ruim 275 duizend openstaande vacatures en daalt de werkeloosheid. Waarom lukt het de statushouder dan niet om werk te vinden?

Op maandag druppelen de vluchtelingen rond het middaguur binnen bij inburgeringsinstituut PAIR. Hier worden wekelijks meerdere inburgeringscursussen gegeven. In het klasje van vijf stelt iedereen zich open en hartelijk voor. Iran, Zuid-Afrika, Saudi-Arabië en Syrië: iedereen komt uit een ander deel van de wereld en dus wordt er Nederlands gesproken. Als er later een Iraanse vrouw bij komt, gaat ze naast haar landgenoot zitten, en spreken ze Farsi. “Ssst, Nederlands, graag!” Er wordt gelachen. “Het gaat toch een beetje automatisch.”

PAIR is een taalinstituut in Utrecht waar onder andere inburgeringstrajecten voor statushouders worden aangeboden. Dat zijn asielzoekers die door de Nederlandse staat als vluchteling zijn erkend, een verblijfsvergunning krijgen en daarom hier onderwijs mogen volgen en, belangrijker, kunnen werken. Uit een recent rapport van de Sociaal-Economische Raad blijkt deze statushouders een probleemgroep zijn wanneer het aankomt op arbeidsmarktparticipatie en het vinden van werk. De SER adviseert gemeentes daarom om deze groep beter te ondersteunen bij het vinden van werk. Precies dit soort ondersteuning biedt PAIR.

We leren geen Nederlanders kennen, en daardoor komen we ook niet aan werk. Andersom ook niet: we hebben geen werk en daardoor kennen we niet veel Nederlanders.

Vandaag wordt het hoofdstuk burenruzies behandeld. “Jij mag nu improviseren”, instrueert Nadia Ben. Nadia Ziani is mede-eigenaar van PAIR en heeft jarenlange ervaring als inburgeringscoach. De Syriër kijkt naar Nadia en lijkt niet goed te weten wat er van hem verwacht wordt. “Jullie hebben niets voor niets een mobiel, ga het woord maar opzoeken, mensen.” Een 23-jarige Saoedi weet het wel. “Ben, je moet gewoon iets zeggen wat volledig uit jezelf komt,” legt hij trots uit.

Het klasje ‘laagopgeleiden’ aarzelt en is stil als er wordt gevraagd of ze werk hebben. Omdat ze het niet goed kunnen uitleggen in het Nederlands, maar ook omdat velen van hen vooralsnog geen werk hebben. Een man uit Syrië doet, ondanks de taalbarrière, zijn best om het probleem uit te leggen. “We leren geen Nederlanders kennen, en daardoor komen we ook niet aan werk. Andersom ook niet: we hebben geen werk en daardoor kennen we niet veel Nederlanders.”

Nada Hubara is coördinator bij PAIR en ziet dit probleem dagelijks in de praktijk terugkeren. “Statushouders vinden solliciteren erg lastig. Het schrijven van sollicitatiebrieven kost ze veel moeite, maar het lastigst is het uiteindelijke gesprek met de potentiële werkgever. Bellen betekent vaak puur improviseren en dat vraagt een niveau van taalbeheersing dat bij veel nieuwe Nederlanders nog ontbreekt.”

“We denken dat je niet bij het team past, is een veelgehoorde afwijzing. Wat daarmee eigenlijk bedoeld wordt is dat het ze aan taalniveau ontbreekt.” Daarnaast is er volgens Hubara nog een probleem: diploma’s die statushouders in hun thuisland hebben behaald, worden hier vaak niet erkend. “Twee wiskundedocenten, een kinderarts en een chirurg: allemaal hebben ze de handdoek in de ring gegooid. Het lukt ze gewoon niet om een passende baan te vinden waardoor ze óf helemaal opnieuw moeten beginnen óf een baan onder hun niveau moeten accepteren.”

‘Door de oorlog ben ik alles kwijt’

De 26-jarige Mohamed Haj Kasem is ambitieus, optimistisch en weet wat hij wil. Vanwege de oorlog in Syrië vluchtte hij in 2015 naar Nederland. Hij is afgestudeerd als industrieel ontwerper, maar doet daar in Nederland niks meer mee. Nu doet hij catering voor particulieren en bedrijven, waarvoor hij zijn eentje Syrische gerechten bereidt. Hoewel hij het leuk vindt, is de baan toch onder z’n niveau. “Ik ben afgestudeerd, maar kom niet aan een de juiste baan. In Syrië had ik alles: we hadden een huis, auto’s, werk en natuurlijk elkaar. Door de oorlog ben ik alles kwijt.”

Mohamed Kaj Hasem. Foto aangeleverd

Het verhaal van Kasem is exemplarisch voor statushouders in soortgelijke situaties. Hubara vertelt dat de cursisten vaak sterk gemotiveerd zijn. “De gemeente denkt goed mee en komt vaak met banen voor statushouders. Die banen zijn alleen lang niet altijd voor iedere statushouders geschikt: ze vinden het vaak niet uitdagend als ze in het magazijn moeten opruimen of wc’s moeten schoonmaken.’’ De coördinator benadrukt dat ze het gebrekkige banenaanbod vanuit de gemeente een gemiste kans vindt voor haar cursisten. “Velen van hen gaan uiteindelijk onder hun opleidingsniveau werken. We hebben iemand gehad die in Iran een universitaire studie had afgerond. Het is hem niet gelukt om een passende baan te vinden. Inmiddels heeft hij genoegen moeten nemen met een baan als beveiliger.”

“Op het moment is werk gewoon werk voor mij”, bekent Kasem. Ik heb in Nederland al talloze baantjes gehad, vaak maar voor twee maanden. Ik heb als tuinier, schoenmaker en klasse-assistent gewerkt. Ook heb ik een tijdje in de thuiszorg gewerkt. Maar het leukste vond ik het om als kok te werken. Als ik verder wil met ontwerpen, dan moet ik nog drie of vier jaar verder studeren. Dat is voor mij niet haalbaar omdat ik geld moet verdienen. Bijna alles wat ik verdien, stuur ik op naar mijn familie in Syrië.”

Kasem ziet dat bij sollicitaties werkgevers vaak van alles proberen om goedkoper uit te komen. Ze lijken te denken dat vluchtelingen dom zijn en proberen de statushouders daarom onder te betalen. Hij kreeg zelf ooit een contract voor 40 uur in de week om vervolgens voor minder dan 30 uur te worden uitbetaald. Toen Mohammed hiernaar vroeg zei de werkgever dat het goed op zijn cv stond en dat het was om ervaring op te doen.

Het past bij het stempel vluchteling dat vaak lang blijft kleven aan statushouders, dat ontmenselijkst. “Ik ben niet alleen een vluchteling, maar ook gewoon een mens. Dan vind ik dat je ook behandeld moet worden als mens.”