De elite vindt weer ergens iets van

Joanna den Blijker, eindredacteur en chef educatie bij Red Pers. Foto door Yalou van der Heijden

Het Moco Museum is eigenlijk geen museum, werd er afgelopen vrijdag in De Volkskrant betoogd. Met harde kritiek op de afwezigheid van kunstexperts, de betwijfelbare authenticiteit en kunsthistorische waarde van bepaalde stukken, wordt het museum met de grond gelijk gemaakt. Maar Joanna den Blijker, eindredacteur en chef educatie bij Red Pers, vraagt zich af: who cares?

Laat ik beginnen met wat er zo wringt bij het lezen van het opiniestuk: er spreken twee witte Nederlandse kunstcritici die zich als een vis in het water voelen in de kunstwereld. Zíj weten wat kunst is, wat een museum is en zou moeten zijn, en zullen dat vertellen ook. Ze geven af op een instelling die een ander publiek dient dan de traditionele musea. Een instelling die er is voor mensen die niet weten wat kunst is en die misschien nooit in een museum komen. Want dát replicaatje, en die simpele schets, dat is toch geen kunst! En in een museum moet je sowieso geen selfies maken. Selfies! Walgelijk!

Ja, Moco schendt bepaalde regels voor musea zoals die geformuleerd zijn door ICOM, de internationale organisatie die musea ondersteunt. Maar Moco is daar dan ook helemaal geen lid van. Het is een commerciële instelling. Ja, Moco is geblacklist door Banksy, en ja, van sommige werken valt de authenticiteit te betwijfelen. Maar Moco is voor veel mensen ook een van hun schaarse ervaringen met kunst.

Sterker nog, zij zijn de gatekeepers die die drempel bepalen en hoog houden

Waar de drempel bij andere musea op het Museumplein voor veel mensen te hoog ligt, bijvoorbeeld door ontbrekende kennis van kunst, haalt Moco hen juist wél binnen. En ja, daar draagt een geoliede marketingmachine aan bij, maar de vraag naar een soort museum als Moco blijkt ook echt te bestaan: uit recensies blijkt dat veel bezoekers goed te spreken zijn over het museum.

Zo niet de kunstcritici van De Volkskrant. Zij kunnen die drempel die voor het Rijks en het Stedelijk ligt namelijk makkelijk over. Sterker nog, zij zijn de gatekeepers die die drempel bepalen en hoog houden. Maar waar zij komen voor werken die tekenend zijn voor een bepaalde periode in het leven van een schilder, is de gemiddelde Moco-bezoeker al blij wanneer hij een paar namen in de hal van het museum herkent. Waar de kunstcritici een half uur naar een schilderij staan te staren, wil de Moco-bezoeker op een instaworthy foto met het werk.

Mag de culturele elite zich daarom uitspreken over waar de rest van het volk heen moet gaan om ‘echte’ kunst te zien? Over wat de rest van het volk een museum mag noemen?

Is dat dan slecht? Is het Moco-publiek dan inferieur aan de klasse van kunstcritici? Mag de culturele elite zich daarom uitspreken over waar de rest van het volk heen moet gaan om ‘echte’ kunst te zien? Over wat de rest van het volk een museum mag noemen? De auteurs geven zelf al toe: ‘museum’ is in Nederland niet eens een beschermde term. De elite mag allang blij zijn dat het Moco draagvlak voor kunst en cultuur creëert onder mensen voor wie de drempel bij de meeste musea te hoog is.

Je slaat de plank mis als je als kunstcriticus vanuit je ivoren toren met een witboek voor ‘hoge cultuur’ naar musea als het Moco kijkt. Moco vertaalt juist met succes de behoefte naar een museale ervaring bij een breed, onervaren kunstpubliek. En dat is iets goeds.