Vrije tijd als verplichting

Het is inmiddels geen nieuws meer dat de psychische gezondheid van studenten en millennials bezwijkt onder prestatiedruk. Verrassend genoeg publiceerde het Sociaal Cultureel Planbureau onlangs dat we evenveel vrije tijd hebben als tien jaar geleden. Als de tijd die we besteden aan werk niet is toegenomen, is dan de vrije tijd de devil in disguise?

Tegenwoordig vragen veel studenten zich af of hun studie wel volstaat als waarborg voor de toekomst. Het lijkt meer regel dan uitzondering om het cv vroegtijdig te verrijken met een onderbetaalde stage en het studentenleven af te sluiten met een dubbele master. Alleen zo lijk je überhaupt kans te maken voor dat halve baantje dat er is overgebleven. Deze houding is typerend voor een prestatiemaatschappij waarover de berichten ons om de oren vliegen: de concurrentie is moordend en slechts het hoogst haalbare is genoeg. Dit harde werken eist haar tol. Vooral de psychische gezondheid van studenten en millennials lijdt hieronder, zo blijkt bijvoorbeeld uit het rap stijgende aantal burn-outs.

Vroeger was geluk iets dat je overkwam

In dit licht zijn de resultaten van het onlangs gepubliceerde tijdsbestedingsonderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) enigszins verrassend. Zo rapporteerde het SCP dat de tijdsverdeling tussen werk en vrije tijd onder Nederlanders de afgelopen tien jaar grofweg hetzelfde is gebleven. De term ‘werk’ zoals het SCP deze hanteert wordt gekenmerkt door het verplichtende karakter van de handeling. Als we die definitie hanteren zien we in het rapport dat we evenveel vrije tijd als voorheen hebben. Maar hoe is dit te rijmen met die stressvolle prestatiemaatschappij?

Presteren als stressor

Het is niet het onderzoek van het SCP dat niet strookt met al die stress om ons heen, maar eerder ons idee waar die vermeende stress vandaan komt dat niet lijkt te stroken met de resultaten van het onderzoek. Het idee is dat stress toegeschreven kan worden aan hard werken en dat vrije tijd hier het medicijn tegen is. Als dat zo is, dan zou de toename in stress naar verwachting juist samenhangen met een toename in werk en afname in vrije tijd.

Ontwikkelingspsycholoog en onderzoeker bij het SCP Freek Bucx legt uit dat de werkelijkheid gecompliceerder ligt. Soms lijkt juist vrije tijd drukte met zich mee te brengen terwijl bepaalde activiteiten met een verplichtend karakter eerder samenhangen met een betere kwaliteit van leven. Zo bleek bijvoorbeeld uit hetzelfde tijdsbestedingsonderzoek dat werkende ouders eerder voldoening uit hun werk halen dan dat dit hen stress oplevert. Bovendien laat het onderzoek zien dat we meer zijn gaan multi-tasken. Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat onze vrijetijdsbesteding in plaats van kwantitatief juist kwalitatief achteruit is gegaan.

Ook filosoof en psycholoog Trudy Dehue stelt vraagtekens bij het ontspannende karakter van vrije tijd. Volgens haar komt dit vooral omdat ons concept van ‘geluk’ is veranderd. Vroeger, vertelt ze in onze mailcorrespondentie, was geluk iets dat je overkwam. Tegenwoordig zijn we zijn dit gaan zien als onze eigen verdienste en verantwoordelijkheid, als merites. Onze vrije tijd wordt hiervoor ingezet: we gebruiken deze om aan onszelf te werken.

Dit sluit aan bij hoe we in weekenden van mindfulness cursus naar de sportschool rennen. We beginnen de dag met vijf dingen bedenken waar we dankbaar voor zijn, en eindigen haar met een paar pagina’s uit het boek van de nieuwste Amerikaanse goeroe die ons leert om in een flow te komen. Niets ontkomt aan de ideologie van de maakbaarheid van het leven: deze sijpelt door tot in onze slaap.

Een valse dichotomie?

Mensen die zich beroepen op het tijdsbestedingsonderzoek focussen zich vooral op de verdeling tussen vrije tijd enerzijds en verplichtende activiteiten zoals werk en zorg voor het huishouden anderzijds. Maar als geluk tegenwoordig tot plicht verworden is en we deze plicht nastreven in onze vrije tijd, is het de vraag of het onderscheid tussen vrije tijd en verplichtende bezigheden nog wel te maken is.

Wat zou dan wel een relevant onderscheid kunnen zijn? Bedrijfsarts Willem van Rhenen heeft het in een interview met NRC over dingen die energie geven of juist slurpen. Hij stelt dat we ons meer zouden moeten focussen op wat ons energie geeft. We moeten zorgen, is het idee, dat we genoeg tijd besteden aan dingen waar we van ‘opladen’. Deze bronnen van energie zijn zowel uit het persoonlijke leven als uit het werk te halen.

Kijken we echter naar de kwaliteit van onze tijdsbesteding, dan zijn er aanwijzingen dat er wel degelijk veranderingen hebben plaatsgevonden

Aansluitend op het commentaar van Dehue geeft ook Van Rhenen aan hoe belangrijk het is dat we voldoende zeggenschap hebben over hoe we onze tijd indelen. Zo kan veel autonomie op de werkvloer energie geven en moet er niet worden gerommeld met factoren waar iemand persoonlijke voldoening uithaalt. Naar een feestje gaan omdat het je is opgelegd door je Instagram feed en een zekere dosis fear of missing out valt dan wel onder vrijetijdsbesteding, maar zou zo maar eens een enorme energieslurper kunnen zijn.

Uit de resultaten van het tijdsbestedingsonderzoek van het SCP blijkt dus bij nadere beschouwing dat de toename van psychische problematiek onder studenten en millennials niet is op te hangen aan slechts de hoeveelheid vrije tijd die we tot onze beschikking hebben – deze is namelijk hetzelfde gebleven. Kijken we echter naar de kwaliteit van onze tijdsbesteding, dan zijn er aanwijzingen dat er wel degelijk veranderingen hebben plaatsgevonden.

Zo gaan we steeds meer van de maakbaarheid van het leven uit, waardoor we ‘geluk’ als onze eigen verantwoordelijkheid zijn gaan zien. Om deze verantwoordelijkheid aan te gaan lijkt onze vrijetijdsbesteding meer en meer op werken. Daarnaast kan betaald werk juist enorm bevredigend zijn. In plaats van een kwantitatieve benadering van tijdsbesteding, zou het daarom zinvol zijn om te kijken naar tijdsbesteding in kwalitatieve zin, als het gaat om onze psychische gezondheid.