De universiteit als bedrijf. Wat doet dat met het academisch personeel?

David Graeber in het bezette Maagdenhuis, 2015. (© Wikimedia)

Vorige week schreven we over een grote demonstratie tegen bezuinigingen in de wetenschap. Deze week sprak redacteur Adriaan de Jonge een aantal professoren en docenten aan Nederlandse universiteiten over de zin en onzin van hun werk, het ‘vermarkten’ van de universiteit en het groeiende controleapparaat vanuit de nieuwe managementcultuur.

Onzinproliferatie

Antropoloog David Graeber publiceerde dit jaar een boek over wat hij bullshit jobs noemt. Volgens Graeber is er in onze economie steeds minder ruimte om echt waardevol werk te doen – het soort werk waarbij we het gevoel hebben iets positiefs bij te dragen aan de wereld – omdat er steeds meer onzinnig werk ontstaat. Ook wetenschappers krijgen steeds meer ‘bullshit’ taken toegewezen, zo stelt Graeber.

Op de universiteit werkt iedereen keihard. Toch zijn een aantal van Graeber’s observaties raak.

De auteur geeft het voorbeeld van Chloe, decaan op een prominente Britse universiteit en verantwoordelijk voor ‘strategisch leiderschap’. Haar werkzaamheden: “Een confetti aan papieren produceren als onderdeel van de toetsing en bewaking van onderzoeks- en onderwijsactiviteiten. Het ene na het andere plan na het volgende vijfjarenplan produceren om te rechtvaardigen waarom afdelingen het geld en personeel nodig hebben dat ze al hebben. Verdomde jaarlijkse beoordelingen uitvoeren die in een la verdwijnen en nooit meer worden bekeken.” Ze noemt het: ‘onzinproliferatie’.

Geven wij ook geld uit aan mensen als Chloe, waardoor er voor de primaire taken minder overblijft? Deze vraag legde ik aan een aantal academici voor.

Universitaire onzintaken?

Hoewel sommigen volmondig instemmen met de bullshit jobs-theorie, zijn niet alle professoren die ik sprak even enthousiast. Vooral Graeber’s karikaturen van managers met nietszeggende titels die zo weinig te doen hebben dat ze onder werktijd Wikipedia pagina’s bijwerken of toneelscripts schrijven, onderschrijven ze niet allemaal. Op de universiteit werkt iedereen keihard. Toch zijn een aantal van Graeber’s observaties raak.

David Graeber op het Spui, 2015 (© Wikimedia)

Ten eerste: academisch personeel is steeds meer bezig met het kwantificeren en het rapporteren van het wetenschappelijk werk dat ze uitvoeren, waardoor ze minder tijd hebben voor het werk zelf. De verantwoordingscultuur die is overgewaaid van het bedrijfsleven naar de publieke sector doet af de professionaliteit en de autonomie van wetenschappers en draagt bij aan de stijgende werkdruk.

Ten tweede: er wordt geprofiteerd van de intrinsieke motivatie van wetenschappers. De enige reden dat academici de universiteit nog niet massaal verlaten hebben voor een betere werkgever is omdat ze het werk zélf belangrijk blijven vinden.

Verantwoordingscultuur

Allemaal bevestigen de geïnterviewden het beeld van een uitdijend bureaucratisch controleapparaat. Docenten moeten bijvoorbeeld in onderwijsdossiers nauwkeurig aangeven hoe elke tentamenvraag samenhangt met de leerdoelen. Er is al weinig tijd om colleges voor te bereiden, en die extra controletaken voeren de druk nog verder op. De gevreesde visitaties door het NVAO, waar het voortbestaan van studies en de universiteit zelf vanaf hangt, kosten ook veel tijd en geld.

Wetenschappers zijn het er onderling over eens zijn dat die obsessie met kwantiteit afdoet aan kwaliteit van onderzoek

Hoogleraar Paola Gori-Giorgi, die aan de VU onderzoek doet op het snijvlak van scheikunde, natuurkunde en wiskunde, vindt de onderwijsdossiers een belediging voor onderwijzers. Een tentamen maken en nakijken vereist inzicht en ervaring. Als het zo simpel was als een aantal regels toepassen, kan een aap ook college geven. Het vastleggen van de lespraktijk in protocollen maakt onderwijzers inwisselbaar. Hun expertise wordt een product en dat maakt hun arbeidsmarktpositie precair. Ook universitair docent Pieter Lemmens van de Radboud Universiteit Nijmegen bevestigt dat van volwaardig academisch onderwijs, waarvoor persoonlijk contact tussen student en professor nodig is, geen sprake meer is.

Concurrentie om onderzoeksbeurzen

In de wereld van het onderzoek geldt hetzelfde. Onderzoekers worden aangespoord om zoveel mogelijk te publiceren omdat dat mooie cijfers oplevert. Maar wetenschappers zijn het er onderling over eens zijn dat die obsessie met kwantiteit afdoet aan kwaliteit van onderzoek. Onderzoek van het Rathenau Instituut bevestigt dat onderzoekers minder tijd besteden aan onderzoek dan afgesproken, en meer tijd aan management- en organisatietaken.

Ook het concurreren om onderzoeksgeld werkt averechts. Academici zijn vaak één dag in de week bezig met het schrijven van aanvragen voor financiering, terwijl maar tien tot twintig procent van de voorstellen daadwerkelijk gehonoreerd wordt. Bovendien werkt die financiering op projectbasis en biedt dus geen betrouwbare geldstroom voor langduriger onderzoek. Gori-Giorgi merkt op dat de grote doorbraken in de exacte wetenschappen meer gefaciliteerd zijn door samenwerking en stabiliteit dan door competitie om onderzoeksbeurzen.

Demonstratie WOinActie op 14 december in Den Haag

Het belangrijkste bezwaar is dat dit soort maatregelen als kwaliteitsmaatstaf volledig ongeschikt zijn. Natuurlijk moeten universiteiten zich kunnen verantwoorden tegenover de samenleving, maar de huidige managementtaal biedt daar geen goede instrumenten voor. Kwaliteit van onderwijs ligt in academische expertise en professionaliteit. Dat kun je niet in cijfers vatten.

Intrinsieke motivatie

Academici werken steeds vaker op basis van tijdelijke contracten en daarbij is overwerk meer norm dan uitzondering. Lemmens vindt het rampzalig: de universiteit is de facto de meest flexibele werkgever van Nederland. Het Rathenau Instituut concludeerde dat wetenschappers gemiddeld ruim een kwart van hun aanstelling overwerken. Onderzoek door de FNV wees uit dat zeven op de tien werknemers doorwerken in vakanties en bijna de helft werkt door bij ziekte. Geen wonder dus dat uit hetzelfde onderzoek blijkt dat zes op de tien kampen met psychische of lichamelijke klachten.

Volgens Graeber ligt het zelfs andersom: wetenschappers zijn zó belangrijk voor de samenleving, dat we het niet nodig vinden om ze ook nog goed te betalen.

Hoe kunnen we verklaren dat de hoogstopgeleide arbeiders van Nederland onder zulke voorwaarden werken? Weinig mensen – en minister van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap al helemaal niet – zullen beweren dat wetenschappers slecht betaald krijgen omdat hun werk nou eenmaal niet zo belangrijk is. Volgens Graeber ligt het zelfs andersom: wetenschappers zijn zó belangrijk voor de samenleving, dat we het niet nodig vinden om ze ook nog goed te betalen. Hij vat de logica samen: “You get to have real jobs! And on top of that you have the nerve to also expect middle-class pensions and health care?”

Dat klinkt als de omgekeerde wereld. Maar in de echte wereld blijkt er toch een kern van waarheid in te zitten. Academici kiezen niet voor een carrière in de wetenschap vanwege het geld: ze doen dat voor het werk zelf. En daarom nemen die hoogopgeleide werknemers, die buiten de universiteit betere arbeidsvoorwaarden zouden kunnen bedingen, toch genoegen met dagelijks overwerken op een tijdelijk contract. Als ze het werk niet zo belangrijk en waardevol vonden, was de universiteit al leeggelopen en zouden de lonen, hoe ironisch dat ook klinkt, hoger moeten worden. Lemmens vat het treffend samen: “er wordt geprofiteerd van intrinsieke motivatie.”

Homo academicus, homo economicus

Professoren kunnen een hoop taken, en misschien zelfs wel volledige banen, bedenken die geschrapt kunnen worden. Waarom zijn er bijvoorbeeld mensen in dienst die reclame maken voor de universiteit, folders in elkaar zetten of logo’s van kleur veranderen? Maar ze vinden het belangrijker om aan te kaarten waar het diepere probleem zit.

Mensen die van nature geneigd zijn om iets te willen uitzoeken en daar les over te geven, vanuit de gedachte dat dit voor de samenleving als geheel van belang is, worden in de rol van ondernemer gedwongen.

De fundamentele oorzaak van de ontevredenheid ligt in een systeemfout. De universiteit is een openbaar instituut dat het algemeen belang dient, maar wordt nu steeds meer gezien als een winstgevend bedrijf. “Als een kameleon moeten we ons tussen die werelden bewegen”, zegt Marijtje Jongsma, woordvoerder van VAWO, de vakbond voor de wetenschap. “Een schizofrene houding,” noemt professor Barend van Heusden van de Rijksuniversiteit Groningen het: “mensen die van nature geneigd zijn om iets te willen uitzoeken en daar les over te geven, vanuit de gedachte dat dit voor de samenleving als geheel van belang is, worden in de rol van ondernemer gedwongen. Dat is verwarrend, pijnlijk en onproductief.”