Buurtsuper

Eva Hofman

Ik heb een buurtsupermarkt recht tegenover mijn huis. Dat is precies zo chill als het klinkt, maar ook gevaarlijk. Ontelbare keren ben ik vlak voor sluitingstijd nog even naar beneden gerend om toch nog een reep chocola of een zak Kettle-chips Sea Salt & Balsamic Vinegar af te rekenen.

Mijn buren en ik hebben van zeiken over de buurtsupermarkt een sport gemaakt. Want wat valt er veel te zeiken. Medewerkers klagen hardop tegen elkaar over hun werk, soms liggen er bedorven producten in de schappen, een van de kassamedewerkers is zo langzaam dat er altijd enorme rijen in de winkel ontstaan, zelfs als het niet druk is. Ik trof eens maden aan in mijn versgeperste sinaasappelsap. Toen ik terugging, tapte de medewerker een nieuw flesje, checkte of er iets in zat en gaf het toen aan mij. Alsjeblieft, opgelost.

Enkele maanden geleden opende in mijn buurt een Jumbo City, precies om de hoek van de buurtsupermarkt. Het is een soort kruising tussen de AH To go, La Place en de reguliere Jumbo. Luxeproducten, kant-en-klaarmaaltijden en gezinspakketten van het huismerk staan naast elkaar in de schappen. Er zijn zelfscankassa’s en ik hoef nooit meer angstvallig de datum te checken van de producten die ik koop. Inmiddels ben ik er meer dan eens per dag.

Ik vertelde mijn moeder erover.
“En die mensen dan?” vroeg ze.
“Welke mensen?”
“Van de buurtsupermarkt, waar gaan die nu heen?”
Ik ging ze na. De mollige jongen die mijn sinaasappelsap had getapt, het meisje dat iedereen bij de kassa complimentjes gaf ‘omdat het zo leuk is complimentjes te geven’, de extreem trage kassadame die de jonge meisjes afsnauwde.
“Weet ik niet,” zei ik naar waarheid. “Nergens, denk ik.”
“Met zo’n gloednieuwe winkel ernaast zullen de zaken wel slecht gaan lopen,” vermoedde mijn moeder. “Die mensen verliezen hun baan.”

Het deed me slikken. Maar moest ik dan bewust naar die slechte supermarkt om te zorgen dat de mensen daar hun baan konden behouden, terwijl ze hun werk niet eens leuk vonden? Een supermarkt die bovendien duurder en minder goed afgestemd was op mijn dagelijkse benodigdheden?

Moest ik dan bewust naar die slechte supermarkt om te zorgen dat de mensen daar hun baan konden behouden, terwijl ze hun werk niet eens leuk vonden?

Jep, zei mijn schuldgevoel. En dus stond ik me na maanden weer te vervelen in de rij bij de buurtsuper. Er hing een zurige lucht, want er was iets met de koelvakken. De man voor mij had drie halve liters bier van het huismerk en een stuk worst. Of hij ook een pakkie shag mocht? Het meisje achter de kassa stond langzaam op om het te pakken. Ik zuchtte ingehouden.

Een andere kassière zag de man ook en begon een praatje. Ze kennen hem bij deze supermarkt. Ze weten precies hoeveel halve liters er wekelijks bij hem ingaan. Net als dat ze de boodschappen kennen van de daklozen die er vaste klant zijn, en van alle andere mensen voor wie het moderne leven in de Pijp te snel gaat. Hier geen zelfscankassa’s en kant-en-klare roti. Voor hen is zo’n buurtsuper zo verkeerd nog niet.

“Hee hoi!” zegt het kassameisje als ik aan de beurt ben. “Jij bent het, met je mooie jas.”

Gelukkig gaan de zaken er voor nu nog even goed.