De allergrootsten

Columnist Thijs Booden

We stonden in de tuin en zeiden tegen elkaar: die gaat erin. Rechterbovenhoek. Bij elke andere speler had je gezegd: die gaat er waarschijnlijk niet in. En als ‘ie dan toch in het net ploft, is er alom verbazing en verbijstering. Waarschijnlijk zou er wat geluk bij komen kijken.

Maar niet bij Lionel Messi. Even de bal neerleggen. Een kort aanloopje, even loeren, en de bal vervolgens de kruising inkijken. Een magistrale stift, ver buiten bereik van de muur, ver buiten bereik van de doelman. Het is geen verrassing meer: we wisten het van tevoren, en toch was er weer ongeloof van onze gezichten af te lezen.

Zo goed als de kleine Argentijn zie je ze nooit meer. En zo slecht speelde PSV helemaal niet. Maar Messi beslist wedstrijden wandelend, sjokkend, achteloos, met speels gemak. De kleine Argentijn is de allergrootste.

Een dag later een aai over de bol. Rood. Een scheidsrechter die het niet zag, een lijnrechter die het niet goed zag. Cristiano Ronaldo werd van het veld gestuurd in zijn eerste wedstrijd voor Juventus, zijn nieuwe club nadat hij deze zomer de allerbesten ter wereld inruilde voor een uitdaging.

Een kort aanloopje, even loeren, en de bal vervolgens de kruising inkijken

De uitdaging is simpel. Weer de beste ter wereld worden. Met een nieuwe groep vrienden in een nieuw land, in een onbekende stad waar zijn naam nog jaren na zijn afscheid te horen zal zijn, bij de fonteinen en op de terrassen, waar men over veertig jaar terugdenkt aan de allergrootste die ze ooit hebben gezien.

En hij weet dat. Nu moet hij het alleen nog maar even laten zien. De druk is onmenselijk. En dan, in de eerste wedstrijd in het miljardenbal met die ene felbegeerde prijs die hij al zo vaak gewonnen heeft, maar zo graag nog een keer wil winnen, een onterechte rode kaart krijgen.

En Ronaldo voelde alles door zijn lichaam stromen. Oprecht verdriet. Tranen van een groot winnaar.

Lionel Messi en Cristiano Ronaldo zijn de allergrootsten. En wanneer ik over veertig jaar terugkijk, er weer veertig zomers voorbij zijn gegaan als dieven in de nacht, dan denk ik terug aan de wandeling en de tranen. Dan denk ik terug aan een tijdperk waarin niet één, maar twee spelers de voetbalwereld, en ver daarbuiten, domineerden en veroverden, als twee eenzame piraten op een groot, verlaten schip, dobberend in de zee, uitkijkend over de grote afstand tot de rest van hun manschappen.

Maar voor nu geniet ik nog vooral, want voor je het weet is het voorbij.