Feuten en liedjes zingen: ontgroeningen zijn zo oud als de universiteiten zelf

Een screenshot uit de film 'Soldaat van Oranje'.

Het studentenleven gaat al vanaf de zeventiende eeuw gepaard met grote hoeveelheden alcohol, feesten en een inauguratie voor de nieuwelingen. De komst van de corpora heeft daar niet veel in veranderd. Sterker nog, de ontgroening bestond al vóórdat het eerste corps werd opgericht.


Vanaf het einde van de zestiende eeuw ontstonden in Nederland de eerste universiteiten, en daarmee ook de eerste studentenverenigingen avant la lettre. Rijkere families uit de provincie stuurden hun zonen naar Groningen, Utrecht of Leiden om te gaan studeren. In de grote stad aangekomen zochten de boerenjongens het gezelschap op van studenten uit hun eigen streek, en vormden daarmee zogenaamde ‘naziones’ of ‘naties’: ze hadden hun eigen kasboek, wapen en beschermheilige.

Binnen deze naties ging het er vaak heftig aan toe: eerstejaars werden financieel uitgebuit door de ouderejaars, dronken gevoerd en beproefd op hun kennis van de klassieken, theologie of wiskunde. De universiteiten waren niet dol op deze groeperingen. De competitie tussen de verschillende naties was namelijk groot en liep vaak uit op vechtpartijen. In 1643 werden alle naties in Utrecht opgeheven en gedurende de zeventiende eeuw probeerden de andere Nederlandse studentensteden dat ook te doen.

Ontgroensenaten en bordelen

Het was echter nog lang niet uit met de pret: in de achttiende eeuw ontstonden er zogenaamde ‘ontgroensenaten’, groepjes ouderejaars die de eerstejaars (ongevraagd) ontgroenden. Lid worden van een vereniging of ontgroensenaat kon niet, maar om geaccepteerd te worden in de studentengemeenschap móést een eerstejaars de ontgroening ondergaan. Behalve de eerder genoemde rituelen uit de zestiende en zeventiende eeuw, hoorden hier zelfs bezoekjes aan het bordeel erbij.

Sociëteit van de Leidse Studentenvereniging Minerva in 1830. Foto: Wikipedia

Volgens cultuurhistoricus Pieter Caljé moet de ontgroening uit de achttiende eeuw maar ook die van vandaag beschouwd worden als een ritueel waarmee een kind een student wordt: ‘Studenten karakteriseren zich van oudsher doordat ze geen kind meer zijn, maar ze maken ook nog geen deel uit van de volwassen wereld. Om toegang te krijgen tot de studentenwereld moeten ze de rites de passage ondergaan.’

Ook de achttiende-eeuwse ontgroenpraktijken liepen financieel en fysiek zo vaak uit de hand dat de minister van Justitie en Politie de universiteiten in 1807 vroeg om passende maatregelen te nemen. De Groningse universiteit was daarom opgelucht toen in 1815 het Gronings studentencorps Vindicat atque Polit opgericht werd: een echte verenging met een bestuur, statuten en verantwoordelijkheid. Zo kreeg de universiteit eindelijk meer grip op de feestende studenten.

Tot bloedens toe

Ook in de twintigste eeuw gingen de ontgroenpraktijken door. De beroemde openingsscène van de filmklassieker Soldaat van Oranje toont de ontgroeningen in het Leiden van de jaren ’30. Hoofdpersoon Erik Hazelhoff Roelofzema en zijn vrienden worden kaalgeschoren en moeten zoemen, kakelen, soep uit elkaars lepels eten en liedjes zingen. Als Erik zich verstopt onder een tafel krijgt hij voor straf de volle laag. Een bak hete soep wordt over hem heen gegoten, waarna de praeses van Minerva de aardewerken schaal op zijn hoofd kapot slaat, tot bloedens toe.

Pieter van Nes (1929) studeerde in Leiden en was lid van Minerva. Hij is niet onder de indruk na het zien van de openingsscène, hij herkent deze praktijken eigenlijk wel: ‘Er vielen gewonden, ja. Kijk, Soldaat van Oranje is natuurlijk een film en alles wordt een beetje aangedikt en filmisch gemaakt. Maar het was zeker niet ongebruikelijk dat je etensresten over je heen kreeg, of een trap of een bebloede kop. Het hoorde erbij, ik vond het ook niet erg.’

Bevrijdende jaren ‘60

Toch was er ruimte voor verandering in de traditionele corpora. De bevrijdende jaren ’60 sloegen ook aan in het verenigingsleven en de alternatieve geest van die tijd zorgde dat er veel veranderde. De studentenwereld werd minder conservatief en traditioneel. Zo schafte Vindicat in 1968 het kaalscheren van de eerstejaars af, en in 1970 zelfs de hele groentijd.

Maarten Huygen schreef in een artikel voor NRC Handelsblad dat hij in 1971 lid werd van Vindicat. In plaats van een ontgroening was er toen een ‘kennismaking op voet van gelijkheid’ voor de eerstejaars. ‘Een gezellig kamp in het Friese Bakkeveen, leuke spelletjes en zogenoemde ,,corpsouders’’, mentoren die lief over de aan hen toegewezen eerstejaars waakten.’ Dit klinkt als een wereld van verschil met de ontgroening die we vandaag kennen én met de ontgroening uit Soldaat van Oranje.

Toen in de jaren ’80 en ’90 de hippiegedachte weer overwaaide, kwam er ook een ommezwaai binnen de Nederlandse corpora: het vrije en inclusieve karakter dat was ontstaan in de jaren ’60 verdween. Jasje-dasje werd weer de norm en de ontgroeningen werden opnieuw ingevoerd. Opstellen of discussies in het Latijn zijn werden echter nooit meer deel van het programma.

Meer weten?
Hoe je ontgroend werd bij het Amsterdamsch Studenten Corps is te lezen in het dagboek van Maurits Jacob van Lennep (1830-1913), die in 1847 zijn ontgroening moest ondergaan in Amsterdam.

Of lees bijvoorbeeld: Pieter Caljé, Studenten, cultuur en studentencultuur (Amsterdam 1999) of Alies Pegtel, ‘Studentencultuur in Nederland’ in: Historisch Nieuwsblad (No. 7 2003)


Dit is het tweede artikel van een serie over het corps en andere studentenverenigingen. Lees hier het eerste artikel, waarin onze serie wordt ingeleid met het begin van de Amsterdamse kennismakingstijd (groentijd).

Laura Lubbers

Laura Lubbers (1995, Amsterdam) studeert Geschiedenis en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast werkt ze als rondleider bij museum Het Schip in de Spaarndammerbuurt. Ze is vooral geïnteresseerd in de vroegmoderne tijd en de Republiek: een tijd waarvan in Amsterdam nog ontzettend veel sporen terug te vinden zijn. Voor Red Pers schrijft Laura vooral over deze sporen van de geschiedenis: ze probeert lezers te wijzen op het verleden van Amsterdam en hoe je dit terug kan vinden op je dagelijkse route door de stad. Haar lievelingsplek is de Henri Polaklaan, omdat dat nou eenmaal de mooiste straat van Amsterdam is. Of toch het Bartolottihuis van Hendrik de Keyser op de Herengracht, als toppunt van de Gouden Eeuw-architectuur? Of het Flevopark in Oost? Of toch de Artisbibliotheek van de UvA? Te veel om op te noemen eigenlijk. Lees maar gewoon de Historische Sensatie, daar komen ze allemaal langs.