Voorpret

We waren op het strand in Noordwijk. Ik probeerde ze te tellen, de senioren met gelooide huid, de kinderen met emmertjes vol schelpen en kwallen, de levensgenieters met verbrande schouders. Het waren er te veel, ik raakte steeds de tel kwijt.

‘We hebben lekker weekend’, zeiden we tegen elkaar. Het was pas zaterdag. Morgen zouden we hier weer zitten, net als de andere weekendvierders en vakantiegangers. Staycationners die geen vliegtuig nodig hadden om zich vrij te voelen.

En vliegen deden ze, de Nederlanders op weg naar verre bestemmingen. Af en toe stormde een laagvliegend vliegtuig voorbij. Een schaduw over het schaduwloze strand. Dan keken we op en zagen we strepen als wolken door de wolkeloze hemel.

Ik had me hierop verheugd, dat doe ik bijna nooit. Wie zich ergens op verheugt, is namelijk ook teleurgesteld als het niet door blijkt te gaan. Voorpret ken ik eigenlijk niet. Voorvrees wel, zoals vlak voor ik mijn diploma haalde. Als mij gevraagd werd of ik er zin in had, in het leven na de bachelor, zette ik mijn bangste konijnenogen op. ‘Ja, maar ik hoop dat er niet op het laatste moment toch een cijfer mist’, zei ik dan.

Voorpret voel ik dus bijna nooit, maar zelfs tijdenspret is lastig. Toen ik met het vriendje op reis was, zes maanden lang, was ik zes maanden lang bang dat er iets mis zou gaan. Dat we het volgende vliegtuig zouden missen. Dat het geld ineens op zou zijn, dat hij of ik ziek zou worden of dat er iemand thuis ziek zou worden of dood zou gaan.

Ik had me hierop verheugd, dat doe ik bijna nooit.

‘Jij zit in een speedboot,’ zei een oude man ooit tegen mij. ‘Je stevent recht op je toekomst af.’ Hijzelf zat in deze analogie in een roeibootje, omdat hij het grootste deel van zijn leven al had geleefd en daar nu op terug kon kijken zonder zich zorgen te maken over de toekomst. Maar als ik in een speedboot zit, houd ik liever gillend mijn handen voor mijn ogen. Pas als ik aan wal sta, ben ik blij dat ik het heb aangedurfd.

Zo voel ik me telkens als ik aan iets nieuws begin. Doodsbang, zelfs terwijl ik ermee bezig ben. Het kan het genieten aardig in de weg zitten. Pas als ik klaar ben met mijn bachelor, pas als het vliegtuig is geland en pas als het artikel in de krant staat kan ik weer rustig ademen. Dan kan ik terugkijken en genieten, van alle lieve mensen die ik heb leren kennen, van alle mooie dingen die ik heb gezien, van alle nieuwe kennis die ik heb opgedaan.

Napret, dat is pas echt mijn ding. Ik probeer het mezelf goed in te prenten. Want zometeen, als ik in dat roeibootje zit, zijn het geen kalme wateren waarop ik wil terugkijken. Dan wil ik weten dat ik met mijn speedboot over de hoogste golven ben geracet. Zelfs al deed ik het gillend.