Eigen schuld

Het is nogal druk in De Pijp. Zodra ik mijn deur opendoe, sta ik midden in Amsterdam. Een voet uit de deur en ik word bijna van mijn sokken gereden door fietsers op de stoep, die op hun beurt weer proberen de alomtegenwoordige bestelbusjes te ontwijken die de wegen blokkeren.

Tijdens mijn eerste autorijles moest ik gelijk de Van Woustraat oversteken. Het kostte me drie minuten en vijftien bijna-doodervaringen. Toen het gelukt was moest ik afslaan en reed ik bijna een fietser aan. Woedend beukte ze met vlakke hand op de auto. ‘Eigen schuld,’ zei mijn instructrice. Ik probeerde normaal te blijven ademhalen.

Boze fietsers zijn geen abnormaliteit hier, nergens binnen de ring. Ze zijn boos als je oversteekt, boos als je niet oversteekt, boos als je voetganger bent of in de auto zit of in de tram. Het boost zijn ze op medegebruikers van het fietspad: scooters, bakfietsen, maar ook andere fietsers. Waag je het om te langzaam op te trekken bij een stoplicht, is boos gerinkel van fietsbellen je deel.

Hij riep: ‘Uitkijken, muts!’ Dat vond ik zo’n

lief scheldwoord, dat ik het hem bijna vergaf.

Ik houd van hard fietsen. Daarbij houd ik me normaal wel aan de verkeersregels, maar dat is dan weer zo abnormaal dat het gevaarlijk wordt. Eenmaal, toen ik wel door rood reed, trok een overstekende voetganger me bijna aan mijn jas van mijn fiets. Toen ik me had losgerukt, riep hij me na: ‘Uitkijken, muts!’ Dat vond ik zo’n lief scheldwoord dat ik het hem bijna vergaf.

Mijn meest onsympathieke fietsactie heeft een jaar of drie terug plaatsgevonden. Ik had net een nieuwe fiets, waarvan de remmen het niet goed deden. Je raadt het al. In volle vaart denderde ik over een fietspad langs de Amstel, waarover ook drie toeristen slenterden met hun rug naar mij toe. Ik belde en riep, maar de toeristen hoorden me niet of luisterden niet. Stoppen kon ik ook niet meer, dus reed ik – al remmend – op ze in. En ik zei geen sorry, daarvoor had ik te veel adrenaline. Ik riep ‘dit is een fietspad!’, stapte op en fietste weer door. Mocht iemand die toeristen kennen: zeg ze dat het me spijt.

Nergens heb ik zoveel gefrustereerde 

mensen gezien als daar.

Doorfietsen op weg naar mijn werk gaat niet. Op twee plekken zijn werkzaamheden bezig, en op de alternatieve routes ook. ’s Ochtends en ’s avonds zit ik bovendien midden in de fietsspits, waarbij rijen fietsen zo lang zijn dat het soms twee stoplichtreeksen duurt voor je kunt oversteken. Nergens heb ik zo veel gefrustreerde mensen gezien als daar.

Vorige week stapte ik op de fiets naar het Amsterdamse Bos om te zwemmen. In de ziedende hitte werkte ik me door een menigte zwetende toeristen, stak ik een paar permanent drukke wegen over en werd ik bijna aangereden door een vrachtwagen die de bocht wat nauw nam.

Ik had het niet meteen door, maar langzaamaan werd het rustiger op de weg. Ik had de wind in mijn rug, ik hoefde geen onmogelijke inhaalmanoeuvres uit te halen, niet zo dicht mogelijk langs de stoep te fietsen om scooters te ontwijken. Met beide handen van het stuur verwijderde ik mijn koptelefoon. Geen getoeter en geschreeuw. Het was stil, op het gekwetter van wat vogeltjes na.