Leven als een jonge monnik

De zesentwintigjarige broeder Columba Dechamps.

Broeder Columba Dechamps is 26 jaar, en een van de jongste monniken in het land. Hij is geboren en opgegroeid in Amsterdam-Noord, maar woont nu al meer dan drie jaar in de Sint-Adelbertabdij in Egmond-Binnen. “Zeg alsjeblieft jij,” zegt hij lachend, als het interview begint. “Anders voel ik me zo oud.”

In de lange, donkere kloostergangen van de abdij is het koel, maar in de groene tuin is het heet en, op een snoeiende tuinman na, rustig. Op een rieten stoeltje onder de bomen wuift Dechamps zich koelte toe met de stof van zijn habijt – een lange, zwarte tuniek dat hij iedere dag draagt. “Zelfs op een bloedhete zomerdag als vandaag,” zegt hij. “Maar ik heb er nu gewoon lekker een korte broek onder aan.”

De Sint-Adelbertabdij is een benedictijnenabdij – een rooms-katholieke leefgemeenschap waar monniken wonen die de Regel van Sint-Benedictus volgen. Deze kloosterregel schrijft voor dat monniken gehoorzaam, sober en nederig dienen te leven. De mannen in Egmond komen niet buiten de zogenoemde poorten van de abdij, behalve op hun vrije donderdagmiddag. Dechamps’ wekker gaat om half 5 ‘s ochtends, en hij bezoekt zes kerkdiensten per dag. Verder werkt hij in de keuken en in de kas van de abdij.

In een klooster wonen monniken of nonnen afgezonderd van de buitenwereld, om zich op het geloof te focussen. Een abdij is een type klooster. Een monnik die niet tot priester is gewijd noemt men een broeder of frater; als er wel sprake is van een priesterwijding, wordt de naam pater gebruikt.

Zijn jij en je familie altijd al veel bezig geweest met het geloof?

“Mijn vader was van huis rooms-katholiek en mijn moeder Nederlands-hervormd, maar ze deden er niks mee. Toen mijn opa overleed, kwam mijn oma bij ons wonen. Maar oma werd dement en dat zorgde ervoor dat ze weer naar de kerk wilde gaan. Mijn moeder trok dat niet altijd en dus moest ik als klein jongetje met oma mee. Ik raakte dusdanig geïnteresseerd in het geloof dat ik me heb laten dopen.”

Hoe oud was je toen?

“Ik zat in groep drie of vier. Ook op de middelbare school en op de beroepsopleiding bleef ik mijn geloof beoefenen, zelfs als andere mensen er wat van vonden. En ik had ook vrienden die niet gelovig waren. Ik vind dat dat moet kunnen; Jezus sloot ook vriendschappen met mensen die God verafschuwden.”

En hoe ben je dan uiteindelijk in de abdij terechtgekomen?

“Ik heb de huishoudschool gedaan en een opleiding tot tandartsassistent, maar dat bleek het niet te zijn. Na het overlijden van mijn vader ben ik zeven maanden in de abdij getrokken. Ik was hier ooit eens bij toeval geweest en dat bezoek is altijd blijven hangen: deze plek is als een magneet die me aantrok. Toen mijn moeder invalide werd, ben ik teruggegaan om voor haar te zorgen. Nadat zij overleed, keerde ik terug naar de abdij.”

Ik heb goed van het leven geproefd en weet als geen ander wat het leven buiten de poort inhoudt. Misschien dat ik juist daarom hier gekomen ben.

Vond je het moeilijk om zo veel bezig te zijn met het geloof terwijl je vrienden en familie dat niet waren?

“Nee, het is zeker combineerbaar. Ik heb goed van het leven geproefd en weet als geen ander wat het leven buiten de poort inhoudt. Ik ben ook weleens strontlazarus geweest, ik heb gedronken en gerookt en zelfs een keertje vastgezeten. Misschien dat ik juist daarom wel hier ben gekomen. Je verlangt naar een bepaalde structuur en een beschermde omgeving.”

Wat vonden je vrienden ervan dat je het klooster in wilde?

“Mijn vrienden heb ik bijna allemaal verloren toen ik hierheen ging. Toen mijn vader overleed, waren ze op de begrafenis, dus op de moeilijke momenten waren ze er wel voor mij. In het begin kwamen ze nog, maar dat is langzaamaan verwaterd. Ik weet niet hoe het komt dat ze me lieten vallen toen ik hierheen ging. Misschien was het een soort angst.”

Dus je hebt veel moeten inleveren.

“Je levert heel veel in, maar ik vind dat het absoluut waard. Weet je, als puber in Amsterdam-Noord wil je gewoon ergens bij horen. Maar toen kwam ik hier en viel alles in één keer weg. Dat is voor mij het teken geweest dat ik de juiste keuze heb gemaakt. Het was moeilijk, maar spijt heb ik absoluut niet. Ik heb er nieuwe familie en vrienden voor teruggekregen.”

De Sint-Adelbertabdij in Egmond-Binnen.

Mis je veel aan het leven buiten de poort?

“Natuurlijk mis je heel veel dingen. Ik zat graag langs de waterkant om te vissen en ik kan niet zomaar even naar de stad om op een terrasje te zitten en een biertje te drinken.”

Hoe was het om voor een celibatair leven te kiezen?

“Dat is een moeilijke keuze als je zo jong bent. Ik weet wel wat het inhoudt want vroeger, onder mijn vrienden, was het zo van: als je het niet gedaan hebt, ben je geen man. Natuurlijk heb ik er wel moeite mee gehad: je blijft een man en je ziet ook weleens een mooie vrouw lopen. Maar het celibataire leven hield me niet tegen om hierheen te gaan. Ik zie iedere dag als een cadeau dat ik van Onze Lieve Heer krijg. Ik bedenk me waarom ik hier ben gekomen. Dat geeft me kracht.”

En waarom is dat precies?

“Ik denk daar nog iedere dag over na, waarom ik dit nou echt ben gaan doen. Iemand die in de wereld buiten de poort leeft, gelooft niet meer of minder in God. Ik heb ook weleens dagen waarop ik vloek en scheld omdat Hij er niet is. Maar zelf heb ik het gevoel alsof ik in de buitenwereld verzwakt wordt. Ik heb deze omgeving nodig: de discipline en het leven samen met het geloof, zonder alle afleidingen.”

De Regel van Benedictus schrijft voor dat iedere gast ontvangen wordt als Christus zelf: of hij nou homoseksueel of moslim is.

Hoe kijk je aan tegen andersgelovigen?

“Ik ben een heel open persoon. Wie ben ik om iemand af te stoten? Ieder mens is verschillend en ieder mens voelt zich thuis bij wat voor hem past. Uiteindelijk denk ik: het is allemaal één God. De Regel van Benedictus schrijft voor dat iedere gast ontvangen wordt als Christus zelf: of hij nou homoseksueel is of moslim. Een van mijn vrienden is homoseksueel. Hij doet er niks mee, maar als hij dat wel had gedaan had ik even veel van hem gehouden.”

Heb je nog veel contact met deze vriend?

“Ja, die komt regelmatig langs. We hebben ook contact via WhatsApp. We leven hier sober, maar ik vind dat de geest van de armoede betekent dat je op een verstandige manier met dingen om moet gaan. Ga niet overdadig in een restaurant zitten schransen, bijvoorbeeld. Ik kom uit een wereld waarin technologie heel normaal is, maar sommigen hier zijn het daar niet mee eens. Ik heb een smartphone, laptop en tablet. Kijk, ik heb een app voor het getijdengebed.”

En lees je de Bijbel op de tablet?

“Ja hoor, daar heb ik een e-book van.”