Het gat

Daar was het dan: het gat.

‘Ha,’ dacht ik als ik erover hoorde. ‘Dat gaat mij lekker toch nooit overkomen. Net als dat ik vast nooit ga liegen over hoe oud ik ben, of dat ik nooit een kater zal krijgen van langer dan een dag.’

Dom, dom en naïef. Het gat, heb ik nu geleerd, is een mijlpaal. En de wijsheid erover komt met de jaren. En juist zij die denken zoals ik denk trappen er keihard in.

Mijn redenatie was namelijk als volgt. Ik vind werken leuk en ik heb altijd wel wat te doen. Ik werk aan mijn scriptie naast tig andere projecten, de afronding van mijn bachelor is meer een zijproject dan een doel op zich. Als het klaar is, valt er gewoon een last van me af. No way dat ik me zo meteen thuis zit te vervelen.

Maar toen moest ik toch nog even alle zeilen bijzetten en kon ik twee maanden niet werken. En omdat alle focus naar de scriptie en de bachelor gingen, had ik geen tijd om te zoeken naar een zomerbaantje of om een vakantie te plannen, of om überhaupt verder dan een week vooruit te kijken. En toen was ineens alles ingeleverd. En toen kieperde ik headfirst dat verdomde gat in.

Je hebt het eerst niet door, dat je erin zit. Je bent aan het feesten dat alles klaar is, je bent je laatste opdracht aan het inleveren, je bent even aan het uitrusten van de hectiek van de afgelopen weken. Tot je, zoals ik, op een dag wakker wordt en je van je vriendje de vraag krijgt wat je vandaag gaat doen. En dat je dan plotseling moet zeggen: weet ik niet. En dat dan weken achtereen, tot zelfs het inplakken van foto’s een interessante bezigheid lijkt.

Het fijne aan het gat is dat je ervan leert dat oeverloos nietsdoen niet leuk is. Dat heb ik er tenminste van geleerd. Als ik het weer eens veel te druk heb, hoop ik dat ik terug kan denken aan het gat. Dat ik me dan kan realiseren dat die drukte altijd nog beter is dan het moment waarop ik na het ontbijt aan de eettafel zat en me realiseerde dat ik tot de lunch niets te doen had, niet eens de afwas. En dat ik daarna ook nog eens de tijd tot het avondeten moest vullen.

Maandag begin ik weer met werken. Maar dat gat jongens, daar val je echt in. Net als dat je na je twintigste verjaardag ineens niet meer onbeperkt chocola kunt eten zonder aan te komen. Net als dat je wanneer je op jezelf woont ineens echt intens kunt genieten van de aanschaf van een nieuwe afwasborstel. Het is een fact of life.

Tot nu toe ben ik in ieder geval écht 22, en ik kan nog steeds niet geloven dat er katers bestaan van langer dan een uur of acht. Daar komt binnenkort ongetwijfeld verandering in. Ik zie er nu al tegenop.