De keuze

Ik moest dus kiezen. Met een muntje van vijf eurocent in mijn hand zat ik op mijn donkere balkon. De grote boom in de binnentuin was versierd met lichtsnoeren, die zouden binnenkort wel uitgaan, zoals elke nacht. Maar deze nacht was anders dan andere, want ik had besloten dat het tijd was voor een besluit.

Het begon in maart, of eigenlijk september want in september besloot ik dat ik me wilde aanmelden voor twee heel selectieve masters. Maar in maart hoorde ik dat ik was aangenomen voor de ene, en twee weken geleden hoorde ik dat ik was aangenomen voor de andere, en nu moest ik dus kiezen.

Ik had eigenlijk gehoopt dat ik het had kunnen meten aan mijn eigen mate van enthousiasme op het moment dat ik hoorde dat ik was aangenomen, maar dat was niet zo. Bij allebei had ik namelijk al van vriendinnen gehoord dat ze waren aangenomen, terwijl het voor mij dan nog een dik uur duurde. Bij allebei was ik dus alleen maar heel erg opgelucht om iets te horen.

En zo ontstonden parallelle universums voor mijn toekomst. In het ene waren de komende jaren een groot avontuur met een hele boeiende specialisatie, in twee verschillende landen met heel veel internationale studenten. In het andere zou ik een curriculum volgen dat mij professioneel kreeg waar ik wilde zijn, een curriculum dat mij nog meer aansprak dan het eerste, en alsnog de mogelijkheid om me zélf (met die nadruk bedoel ik dat ik het onafhankelijk van de studie doe, in mijn vrije tijd) te specialiseren, met een bredere en sterkere praktische basis.

Maar die tweede, die was in Amsterdam. En laat ik nou net het gevoel hebben dat ik Amsterdam heb uitgespeeld. Dat krijg je soms, of ik in ieder geval, dat je ’s nachts over de verlichte grachten fietst, of op een terrasje zit in de eerste lentezon, en dat je dan denkt: ‘Mooi allemaal, maar er is meer. Dit deed ik vorig jaar ook. En het jaar daarvoor.’

En zo zat ik ook naar de lichtjes in de boom in de binnentuin te kijken. Ze zouden zo uitgaan, en morgen weer, hetzelfde als een maand geleden. Zou ik me dan niet gaan vervelen? De stad kan weliswaar op een razend tempo groeien en veranderen, maar niet zo snel als een student. Was Amsterdam niet enorm toen we er onze eerste, wiebelige passen zetten? En is het nu niet klein?

Ik voelde aan het muntje tussen mijn vingers. Kopergeur op een warme avond. Het was 50/50, opgooien, vangen, neerleggen, kijken. En dan niet meer terug, denk erom. Door een open raam klonk in de verte muziek, een ambulance reed voorbij en ik hoorde mijn buren praten. Gaf Amsterdam me een afscheidslied, of probeerde ze me juist te laten blijven? Ik wierp het muntje op en griste ernaast. Het landde tussen de houten spijlen van mijn balkon.