Aan alle Amsterdammers

Vraag me wat ik droomde vannacht. Vraag me wat ik droomde en ik zal zo eerlijk mogelijk antwoord geven. Nu de zon schijnt in de stad lijkt alles mooier, eerlijker, oprechter. Koningsnacht, -dag en Bevrijdingsdag zijn achter de rug, en mijn liefde voor de stad is nog groter geworden.

Ik droomde van de boekenmarkt in de Oudemanhuispoort. Een van de weinige plekken waar nog literatuur wordt verkocht. Elke keer neem ik mezelf voor er een boek te kopen. Elke keer heb ik alleen mijn pinpas bij me.

Ik droomde van alle studenten. Hoe ze in Amsterdam wonen, hoe ze er opgroeien en hoe ze de toekomst gaan bepalen: niet alleen van de stad, maar ook van het land.

Daar zaten we, in het gras, alle jongens en meisjes, heetgebakerd van de zon

Ik droomde van barbecueën in het Vondelpark. Ome agent die ondanks het verbod een oogje toekneep. Daar zaten ze, in het gras, alle jongens en meisjes, heetgebakerd van de zon. Ik droomde dat een van de jongens haar nummer vroeg, want wat was ze mooi. En dat een van de meisjes haar nummer gaf, want wat was hij leuk.

Ik droomde van de minderbedeelden, alles etend wat de welgestelden niet meer nodig hadden. Van de muziek van André Hazes, die in elk café nog steeds de baas is. Van Johnny Jordaan en bij hem in de Jordaan. En hoe hun muziek de minderbedeelden en de welgestelden voor altijd zal verbinden.

Ik droomde van Eberhard van der Laan. Een lieve stad. Opdat we nooit vergeten.

Ik droomde van Johan Cruijff en Abdelhak Nouri. Van onnavolgbare passeerbewegingen en een eeuwige glimlach.

Ik droomde van het Paleis op de Dam: groot en majestueus, maar ik heb nog nooit een voet binnen gezet. Misschien is het voor de verbeelding ook beter als ik dat nooit doe.

Ik droomde van de Westermarkt. Hoe ik daar als scholier geregeld feestjes had in een nabijgelegen pand. Als ik er langs loop, voel ik me weer even zestien en maak ik me geen zorgen om de toekomst, iets wat ik tegenwoordig geregeld wel doe.

Ik droomde van het Leidseplein. Waar mensen de nacht toe-eigenen en de ochtend inluiden.

Ik droomde van het Olympisch Stadion. Hoe ik daar op een zomeravond langsrijd, de neergaande zon nog net boven het gebouw zie hangen, de rode lucht eromheen.

Ik droomde van het Leidseplein. Waar mensen de nacht toe-eigenen en de ochtend inluiden. Van constant geluid op straat, van dansende mensen en van oneindige muziek. Dat ik daar veel te vaak ben, en veel te weinig op minder toeristische plekken. Ik moet de stad nog echt ontdekken.

Ik droomde van mensen, hand in hand aan de gracht, zachtjes zingend: alleen de bomen, dromen, hoog boven ’t verkeer, en over ’t water, gaat er, een bootje net als weleer.

Ik droomde van al die Amsterdamse mensen, al die lichtjes ’s avonds laat op het plein.