Wij zijn echt

Waarom doe ik dit, vraagt ze zich af, terwijl ze voor de spiegel staat. Ze twijfelt: haar haren los of in een knot? Een knot is misschien te chique, maar los wordt het door de wind zo wild. En waaien doet het, want dit is Nederland.

Toch maar een knot. Ze loopt de trap van haar appartementencomplex af en ze merkt: hoe dichterbij het komt, hoe zenuwachtiger ze wordt. En tot overmaat van ramp: eenmaal buitengekomen blijkt haar fiets gestolen. Godver, denkt ze, waarom doe ik dit ook alweer?

In de tram voor haar zit een stel. Een man en een vrouw, omarmd. De vrouw slaapt op zijn schouder, en hij kijkt gelukkig en vol zelfvertrouwen naar buiten, naar de straten van Amsterdam. En terwijl ze naar het stel kijkt, denkt ze: had ik maar wat zij hebben.

Natuurlijk, denkt ze, dit is weer typisch, natuurlijk overkomt mij dit. Zoals het openbaar vervoer in Amsterdam betaamt: haar tram heeft tien minuten oponthoud. Ze zucht diep en hoe langer de tram stilstaat, hoe meer ze beweegt uit een onbedwingbaar gevoel van onrust: waarom in godsnaam doe ik dit ook alweer?

Kijkend op haar horloge weet ze dat ze nog twaalf minuten door deze hel moet.

Als ze eindelijk de tram uit is weet ze dat, ondanks alle oponthoud, ze toch weer een kwartier te vroeg is. Want ze is altijd te vroeg, en dat is een eigenschap die je nooit meer kunt veranderen. Ze besluit een sigaretje te roken, en gelukkig heeft ze pepermunt bij zich, want stel je voor dat diegene niet rookt… Dat is al vaker een afknapper geweest.

Haar sigaret was sneller op dan ze gehoopt had, want kijkend op haar horloge weet ze dat ze nog twaalf minuten door deze hel moet. Waarom doe ik dit ook alweer, denkt ze, terwijl ze de sigaret op de grond nog een paar keer met haar voeten goed uitmaakt.

Nog tien minuten. Trams rijden langs, mensen lopen langs, al zingend en dansend, want dit is Amsterdam.

Nog vijf minuten. In de selfiespiegel van haar telefoon ziet ze dat het geen ene reet heeft uitgemaakt: ook haar knot is door de wind in de war geraakt.

Nog een minuut. Waarom doe ik dit ook alweer?

En dan ziet ze haar, en ze weet weer waarom ze het doet: zij is mooier dan ze zich ooit kan verbeelden, ze is eleganter dan iedereen, en ze is bovenal liever, leuker en intelligenter dan elk meisje die ze ooit heeft ontmoet.

Wij zijn echt, en de rest past zich maar aan.

En daar staan ze nu, samen, twee meiden, en ze geven elkaar een kus bij de tramhalte, vlak voor de poster. De poster die is ingeslagen, besmeurd met verf en swastikatekens, maar het deert ze niet, want zij weten: wij zijn echt, en zij leven in een wereld zonder liefde, een wereld vol illusies, waanzin en weerzinwekkendheid.

Wij zijn echt, en de rest past zich maar aan, denken ze, terwijl ze schouder aan schouder verder lopen, genietend van elkaars gezelschap, denkend aan oneindige liefde.