Klik

Ze staan er elke dag. Het grachtenwater onder hun voeten ligt soms spiegelstil, soms klotst het tegen de kade. Zo nu en dan zijn er meeuwen, af en toe vaart een roeibootje langs. Maar ze kijken niet naar het water of de vogels. Door de lens voor hun ogen zien ze slechts een omlijsting, een zwart frame om hun pose.

Steeds hebben ze een ander gezicht, de mannen en vrouwen op de brug. Maar ze lijken zoveel op elkaar dat ze zo de figuranten zouden kunnen zijn uit The Truman Show, die elke dag hetzelfde rondje langs mijn raam lopen. Ik zou het je niet kunnen zeggen als het echt zo was.

Alleen zijn ze bijna nooit. Op de brug maken ze geen selfies, ze maken foto’s van elkaar. Hun bovenlijf moet erop staan, een hand op de reling, de ander in de zij of zwaaiend naar de camera. Hoofd een beetje geknikt, brede grijns. Klik, doet de een. En omwisselen. Klik, doet de ander. Dan trappen ze hun huurfiets van de standaard en rollen ze met hun voeten op de stang de helling af richting de volgende foto.

Maar de laatste tijd zijn het geen toeristen op de brug voor het Roeterseilandcomplex van de UvA. Dit zijn Amsterdammers, dat zie je zo. Jong en vastberaden. Met reuzenpassen banen ze hun weg vanuit het A-gebouw naar het water. Zichtbaar voor het blote oog groeien ze een meter zodra ze de deur uit zijn, nog eens een meter wanneer ze de brug bereiken en de laatste meter vlak voor de camera klik zegt.

Studenten zijn ze niet, niet meer. In de februarikou trekken ze hun jassen uit en leggen die aan de voeten van hun vrienden. Nette jurken en sjieke pakken komen tevoorschijn, het haar wordt geborsteld en de glimlachen geoefend.

Je ziet ze glanzen, een waxinelichtje in hun borst wanneer de deur achter ze dichtslaat, een haardvuur tegen de tijd dat ze de brug hebben bereikt. Wanneer de camera klik zegt, stralen ze feller dan het zwakke zonnetje boven hen. Dan heb je ook geen jas meer nodig, dan genereer je je warmte zelf.

Weer lijken ze op elkaar, de niet-meer-studenten aan mijn raam. Niet zoals de toeristen, wel omdat ze allemaal gloeien van dezelfde trots, allemaal poseren met dezelfde lach. Een lach van vrijheid, van eindelijk volwassen, van ‘we zien wel waar we heen gaan’. Van Ireen Wüst als ze de eindstreep over glijdt.

De heren poseren stijf rechtop, ze houden hun diploma met twee handen vast voor hun borst. Achter hen glanst het water. Als ze slim zijn komen ze rond vieren, dan reflecteert het oranje licht van de ondergaande zon op het gebouw achter hen, waardoor de structuur hen als een aureool omkranst.

De groepen vrouwen poseren samen, zwiepen hun haar over een schouder, zakken door hun knieën zodat ze allemaal op de foto passen. De felbegeerde papieren naar voren geschoven, hun lachende hoofdjes vlak daarboven. Zij, hun groepje, hebben elkaar erdoorheen gesleept. Elkaar wakker gebeld voor een tentamen, dronken gevoerd vlak erna, huiswerk doorgegeven, verdriet uitgepraat. Diploma gevierd. De kou krijgt grip op hun blote armen en ze kruipen nog dichter tegen elkaar aan. Ze gaan contact houden. Beloofd.

Klik.