Help, ik ben verhuisd naar Uncanny Valley!

Vlaanderen: geboorteplaats van friet, wafels en de hoofdrolspelers van onze favoriete moppen. Slechts een drietal uur rijden van Mokum en je hoeft geen nieuwe taal te leren om er met de locals te kunnen communiceren. Het klinkt als een verlengstuk van Nederland, een dertiende provincie die altijd over het hoofd gezien is. Maar niets is minder waar.

In tegenstelling tot mijn collega-correspondenten ben ik niet naar een exotisch land vertrokken. Ondergetekende stak niet de Middelandse Zee over en vertrok ook niet naar het land van pasta, pizza en Pisa. In een autorit van slechts drie uur was ik op mijn verblijfplaats voor de komende vijf maanden: Gent, België. Niet uit gemakszucht of luiheid, maar een bewuste toekomstgerichte keuze.

Ik ben niet van plan het Nederlandstalig theatergebied te verlaten en zodoende is kijken hoe onze zuiderburen zich op de bühne begeven een uitermate gepaste verrijking van mijn theaterkennis. Ik had geen gigantische cultuurschok verwacht – we spreken (vrijwel) dezelfde taal en hebben een flink aantal dezelfde winkels – en onderging deze ook niet. In plaats daarvan heb ik al weken het gevoel dat ik verhuisd ben naar de uncanny valley.

Een aftrekker is een kurkentrekker

Het concept van de uncanny valley werd in 1970 geformuleerd door roboticus Masahiro Mori en bouwt in bepaalde mate voort op Freuds principe van the uncanny. De kerngedachte erachter is een psychologische ervaring waarbij iets op vreemde wijze bekend aanvoelt, maar toch niet helemaal klopt. Mori koppelt dit aan de ontwikkeling van humanoïde robots die op mensen moeten lijken, maar er hoe dan ook altijd behoorlijk freaky uitzien.

Door hun net-niet menselijke uiterlijk zorgen humanoïde robots voor een gevoel van ongemak. Mori noemt dit gevoel de uncanny valley.

Leven in Gent is precies zo. Alles lijkt te kloppen en is herkenbaar, maar toch klopt het niet helemaal. En dit is op alle denkbare vlakken zo: de taal, de architectuur, de winkels, de naambordjes en zelfs het theater. Een klein overzicht:

  • Je draagt geen pet, maar een klak.
  • Je begroet iemand niet met hoi, maar je zegt salut.
  • Als je vertrekt dan smeer je hem niet, maar dan bol je af.
  • Een aftrekker is niet een zelfbevredigende man, maar een kurkentrekker.
  • Een lafbek is een bloemzak.
  • Wanneer je afgeleid bent, heb je andere katten te geselen.
  • Je gebruikt hier geen nootmuskaat, maar muskaatnoot.
  • Je eet hier geen sinaasappel, maar een appelsien.
  • In een containerpark wonen geen burgers die het minder goed hebben, maar kan je als goed burger je afval sorteren.
  • Crème fraîche is geen zure troep die alleen lekker is op een goeie tortilla, maar het zoete godgeschenk dat je in de winter in je warme Cécémel doet.
  • Chocomel heet hier Cécémel.
  • De Blokker heeft niet het net-niet hippe design dat het inmiddels op de meeste plekken in Nederland heeft, maar nog steeds het lelijke bruin-oranje design. Inclusief lelijk poepbruin tapijt.
  • De Albert Heijn is op een totaal andere manier ingedeeld dan in Nederland.
  • De Hema heeft hier niet de gigantische afbeeldingen van producten hangen om de winkelindeling aan te duiden
  • Wij betalen collegegeld voor een heel studiejaar, ongeacht de hoeveelheid vakken die je volgt. Hier betaal je per studiepunt dat je van plan bent te halen.
  • Ondertiteling in de bioscoop is in het Frans en in het Nederlands.
Cécémel, de Vlaamse variant van Chocomel.

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Ach, wellicht moet ik mijn Hollandse dierentuinbezoekersmentaliteit uitzetten en minder reclameren. Iedereen in de uncanny valley klinkt vriendelijk, er is hier heerlijk bier in overvloed, en op elke hoek van de straat is een frietkot te vinden. Met die luxe neem ik een voortdurend gevoel van ongemak graag voor lief. Ik trek in ieder geval nog een Klokke Roeland open. Proost en salut!