En dan was daar Appie

Thijs Booden

Het was donderdagavond, een typische studentenavond in Amsterdam. Het was de bedoeling dat ik naar de stad zou gaan om bier te drinken met vrienden die ik al een tijd niet had gezien. Ik hou daarvan, want dan is “hoe gaat het met je?” geen routinevraag, maar oprecht.

Mijn plannen vielen in het water. Ik heb de avond uiteindelijk met mijzelf moeten doorbrengen. Scrollend op mijn telefoon door de verschillende tijdlijnen op sociale media viel mij meteen één ding op waar ik mij doorgaans aan erger. Wanneer een voetbalclub iets tragisch overkomt, begint het gros van de reacties met “ondanks dat ik fan ben van X….” Ja, dat lijkt mij nogal vanzelfsprekend. Waarom moeten supporters  er altijd bij zeggen dat ze naast hun loyaliteit voor de club toch nog een sprankje menselijkheid en empathie hebben?

Desalniettemin zeg ik het nu ook, maar op een iets andere manier: ik ben geen fan van Ajax. Nooit geweest. Ondanks dat ik onder de rook van Amsterdam ben opgegroeid, heeft Ajax nooit speciale gevoelens bij mij opgewekt. Ik ben wel fan van grote voetballers. Fantastische voetballers, maakt niet uit welke linie of club. Davinson Sanchéz en Terence Kongolo. Andrés Guardado en Karim El Ahmadi. Kasper Dolberg en Jürgen Locadia. Het zijn stuk voor stuk spelers waar ik ontzettend veel bewondering voor heb.

En ik ben ook fan van Abdelhak ‘Appie’ Nouri. Het is ook nu nog een genot om te kijken naar de samenvattingen van Jong Ajax van de afgelopen twee seizoenen. Daar stonden ze dan, de bonkige, houterige verdedigers van RKC Waalwijk, MVV en De Graafschap. Ze kunnen beter voetballen dan ik – en waarschijnlijk ook dan u –  en die jongens krijgen er zelfs voor betaald. Heel ijverig waren ze, het was bijna schattig om te zien.

En dan was daar Appie. Op basis van pure klasse, voetbalgenot en enthousiasme reduceerde hij iedereen op de velden ongewild tot nul. Buitenkantje rechts. Steekbal hier, door een poortje daar. Ik vraag mij af hoe het moet zijn geweest. Als verdedigende middenvelder van Achilles ’29 afreizen naar de Toekomst en weten dat je die dag geen schijn van kans gaat maken. Ik denk dat ze er stiekem toch van konden genieten, door Appie. Omdat ze dan later tegen hun kleinkinderen konden zeggen: “Ja, ik ben ooit nog drie keer het bos in gestuurd door die Nouri. In de eerste dertien minuten.”

Nu is het vrijdag. Ik zie mijn vrienden vanavond alsnog. Ze zijn allemaal rond de twintig jaar. Net als Appie. Het is onvoorstelbaar dat het leven zoals je het kent zomaar afgelopen kan zijn. Dat al je dromen, al hun dromen, in een klap kunnen verdwijnen. Ik zal vragen hoe het met ze gaat, en het zal nog oprechter zijn dan normaal. En we zullen het hebben Appie. Over de voetballer die hij ooit was, de voetballer hij had kunnen zijn en de voetballer hij altijd zal blijven.

En wat ik donderdagavond nog heb gedaan? Voetbalbeelden teruggekeken van Appie Nouri. Omdat hij het zo verschrikkelijk goed kon.