Bingewatchen in het theater

2666 - Julien Gosselin. Foto: Simon Gosselin via Stadsschouwburg Amsterdam

Marathonvoorstellingen zijn helemaal in op het moment. De dagen dat men slechts één uur, soms twee uur, en hooguit drie uur zijn passé. In het Netflixtijdperk hebben we niet meer genoeg aan drie uur vermaak. Maar staat lengte ook garant voor kwaliteit?

Deze maand bezocht ik toevalligerwijs drie marathonvoorstellingen. Het begon met Jan Fabre’s Mount Olympus (24 uur), gevolgd door Missie Marquez deel 3, 4 & 5 van Compagnie Kistemaker (4 uur) en ik sloot de maand af met 2666 van de Franse theatermaker Julien Gosselin (12 uur).

Marathonvoorstellingen zijn niks nieuws in het theater. Zo maakt regisseur Ivo van Hove bij Toneelgroep Amsterdam al jaren voorstellingen die langer dan vier uur duren, maakte het Noord Nederlands Toneel vorig jaar van de Deense televisieserie Borgen een negen uur durende voorstelling en zelfs Mount Olympus is een reprise uit 2015. Het Britse gezelschap Forced Entertainment werd in de jaren negentig zelfs bekend door hun zogenaamde durational plays.

Empathische verwondering

Wat mij fascineert is dat al deze voorstellingen lovend ontvangen zijn. Sterker nog, marathonvoorstellingen worden vrijwel altijd in de kranten overspoeld door een sterrenregen. De bezochte voorstellingen kregen stuk voor stuk vier of vijf sterren van media als Theaterkrant, De Volkskrant en NRC. Is lengte dan echt evenredig aan kwaliteit?

Missie Márquez - Kompagnie Kistemaker. Foto via Jonge Harten Festival
Missie Márquez – Kompagnie Kistemaker. Foto via Jonge Harten Festival

Na Mount Olympus en Missie Marquez (waarvan het uiteindelijke twaalfdelige epos veertien uur zal duren) was ik enorm enthousiast, en niet zonder reden – ik heb naar een groep acteurs gekeken die zich respectievelijk vierentwintig en vier uur helemaal uit de naad hebben gewerkt! En dat gegeven, dat er andere mensen voor je neus tot het uiterste gaan, zorgt voor een empathische verwondering. Vergelijk het met een bezoek aan de Olympische Spelen of andere topsporten: het is écht en je ziet dat het echt is. Geen knappe filmbewerking, retakes of misleiding. Het is theater. Het is hier en nu.

Het is zeker niet makkelijk voor acteurs om zo lang achter elkaar te spelen, absoluut niet. Maar tegelijkertijd is het ook hun vak. Het argument is dus al snel dat critici vakmanschap niet moeten verwarren met artistieke kwaliteit. Toch is dat, zeker wanneer het over theater gaat, onvermijdelijk. Je hebt hoe dan ook (als het goed is) te maken met vakkundige acteurs – de verhouding tussen publiek en spelers is de kern van theater. Ere wie ere toekomt.

2666 - Julien Gosselin. Foto: Simon Gosselin via Stadsschouwburg Amsterdam
2666 – Julien Gosselin. Foto: Simon Gosselin via Stadsschouwburg Amsterdam

Krankzinnig

Bovendien zijn voorstellingen van zulke lengtes altijd passieprojecten. Je bent krankzinnig als je alleen voor de lol zo’n lange voorstelling maakt – denk alleen al aan het repetitieproces! Missie Marquez komt bijvoorbeeld voort uit de persoonlijke relatie van regisseur Karlijn Kistemaker met het boek Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel Garcia Marquez. Kistemakers oudoom was de eerste Nederlandse vertaler en zij erfde na zijn dood de vertaalrechten van het boek. De uiteindelijk twaalfdelige voorstelling vertelt het verhaal van haar poging om het boek naar een theatervorm te vertalen. Ook 2666 van Julien Gosselin kwam voort uit zijn fascinatie voor een boek, ditmaal het gelijknamige en postuum verschenen werk van Roberto Bolaño.

Wellicht overdenk ik het een en ander net te veel. Met een passievolle regisseur en acteurs die goed vakmanschap leveren kom je al een heel eind. Zet daar een sterke vormgever bij (iets wat bij elke marathonvoorstelling verbazingwekkend genoeg het geval lijkt te zijn) en je hebt de basis van goed theater. Misschien moet ik een gegeven paard niet in de bek kijken. Gewoon genieten van een mooie voorstelling. Of die nou achttien uur duurt of twintig minuten.