Rijksschoonheid

Na wat slenteren over de Albert Cuyp, besloot ik om een stukje te wandelen en bij het Museumplein de tram naar huis te pakken. Onder de toegangspoort van het Rijksmuseum werd ik echter gegrepen door de duistere klanken van een accordeon. Het soort geluid wat het gebouw plots deed veranderen in het Rijksspookslot, met daarboven donkere wolken en bliksemschichten aan de hemel. Het regende, waardoor in de tuin langzaam de modder van een aantal begraven skeletten afdroop. Op de schrille golven van het geluid voer ik naar de ingang, als was ik gehypnotiseerd. Ik ging naar binnen.

Toen ik een kaartje had gekocht liep ik naar de eerste expositieruimte, waar een dame in beveiligingskostuum mij vriendelijk, doch enigszins dringend en streng, verzocht om mijn tas niet op mijn rug maar op mijn buik te dragen. “They should have told you to take a locker,” zei ze op gebiedende toon. “But for now it’s fine.” “Oké,” piepte ik.

Ik vervolgde mijn weg naar de meest fascinerende kamer in het Rijksbeveiligingscentrum. Om daar te komen moest ik echter eerst de vrolijke mensenmassa in de Rembrandtkamer passeren. Met tegenzin bleef ik toch even staan voor Marten en Oopjen. “Potverdikkeme, wat een lelijk wijf,” hoorde ik iemand zachtjes fluisteren. Ik schoot in de lach en gooide ondertussen die irritante tas weer om mijn schouders. Daarna liep ik door naar mijn lievelingsbestemming.

De kamer links van de Rembrandtkamer was een stuk minder druk. De naakte waarheid is moeilijk te verdragen voor de meeste mensen. Voor de zoveelste keer keek ik naar De Zondeval. Ditmaal gebeurde er echter iets raars. Op het doek zag ik Marten en Oopjen in hun adamskostuum. Met een geniepig lachje op haar gezicht bracht Oopjen het appeltje naar haar mond en ze nam een hapje. Die rijke stinkerd, dacht ik. Ze heeft alles wat haar hartje begeert, maar moet toch een hapje nemen van die verdomde appel. Lelijk wijf!

Ik liep verder en werd wederom staande gehouden. “Koed joe plies teek joor beg from joor sjoolders?” vroeg een vriendelijk lachende beveiligingsman. “Sank Joe.” Met m’n taske weer op m’n buikske struinde ik verder door het Rijksdoolhof, waar ik even verdwaalde tussen de kindermoordenaars van Bethlehem en wegzonk in de vijver van de zielenvissers. Geen fijne reis, maar in de ogen van Oopjen zie ik geen rauwe werkelijkheid. Nee, ik zie slechts een grote neus die haar ogen en de rest van haar gezicht bedekt. Conflict is van alle tijden en mensen zijn altijd geneigd om weg te kijken naar iets wat schijnbaar mooier is. Niets is minder waar.

Helemaal boven was het vrijwel leeg. Hier raakte ik zo in verwarring van Karel Appel, dat mijn darmen het defecatieproces in werking stelden. In de volksmond wordt dit ook wel de drang tot poepen genoemd. Ik liep van boven naar beneden, van voor naar achter en van links naar rechts opzoek naar het toilet. Onderweg kwam ik weer langs zo’n beveiligingspersoon. Ditmaal moest de tas toch echt in een kluisje. Hij wees me de weg en ik vond de kluisjes. Toen ik daar stond viel mijn oog op de mooiste eregalerij van de Rijksopslagplaats. Het was een uitgestrekte hal, met aan beide zijden een aantal deurtjes. Achter deze deurtjes mocht men zelf een kunstwerkje kleien. Ruim een uur ben ik bezig geweest, maar helaas raakte ik het kwijt in de zondvloed die erop volgde. Toen ik onder een kraan de klei van mijn handen verwijderde, keek ik op van de wasbak en zag daar een soort glazen schilderij. Het was het mooiste stukje kunst dat ik ooit had gezien. Het was zo prachtig dat ik meteen besloot om weg te gaan.

Ga er maar eens kijken, dan zie je namelijk de mooiste persoon van het land, daar aan de wand!