Aan het Woord: Jeroen Slot

Dit bericht is oorspronkelijk gepubliceerd bij Maximum Amsterdam

Drie weken geleden werd ‘De Staat van de Stad‘ gepresenteerd door Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) van de gemeente Amsterdam. De monitor weergeeft sinds 2000 met systematische gegevens de ontwikkelingen op het sociale domein.
Zo bleek dit jaar onder andere dat het aantal VWO-adviezen omhoog is gegaan van 18% in 2007 naar 24% in 2014, dat het aantal gepromoveerden is gestegen – in de genees- en tandheelkunde zelfs verdubbeld – en dat de Amsterdamse economie sinds 2014 aantoonbaar uit de recessie is.
Locoburgemeester Kajsa Ollongren (D66) is, onder andere naar aanleiding van deze cijfers, positief over de staat van de stad. Iedereen zou min of meer gelijke kansen hebben in onze hoofdstad. “Niemand zakt door het ijs in Amsterdam, zegt Ollongren. “Er is altijd een opvangnet.”
Het rapport onthulde echter dat het welzijnsniveau de afgelopen jaren voor het eerst gelijk is gebleven, dat de tweedeling – of zelfs ‘driedeling’ – van de stad ongewijzigd is en dat de leefsituatie in Noord zelfs verslechterd is. OIS-directeur Jeroen Slot is dan ook minder positief. Wij laten hem aan het woord over die tweedeling in de stad en wat troonopvolger D66, na een eeuw sociaaldemocratie, voor de stad gaat betekenen.


“DE SOLIDARITEIT IN AMSTERDAM NEEMT AF”


Jeroen Slot (1958) werkt al 30 jaar bij Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS) van de gemeente Amsterdam. Hij begon als dienstweigeraar en sinds de eeuwwisseling is hij directeur. De stad is door de jaren heen flink veranderd en dat heeft hij als geen ander waar kunnen nemen. “Toen ik hier begon wemelde het van de junks in Amsterdam. Ook waren er vele verkeersdoden. Het leek net een aflevering van Tatort.”

MAX VAN GEUNS

Vier oorzaken van Amsterdamse tweedeling
“Ten eerste heeft de overgang naar een diensteconomie een grote rol gespeeld bij de tweedeling van de stad. Of je nou werkt bij Paradiso, het Rijksmuseum, het Concertgebouw of een terrasje: het ligt allemaal in de Amsterdamse binnenstad en ze trekken allemaal een bepaald soort mensen aan.
Ten tweede is er sinds 2000 sprake van selectieve immigratie: suburbanisatie van gezinnen, die plaats maken voor Oost-Europeanen, steeds meer Westerse expats en vooral hoogopgeleide jongeren.
Het derde punt heeft te maken met de woningmarkt. Waar eerst particuliere en vervolgens sociale huurwoningen een dominante rol hebben gespeeld in Amsterdam, worden nu koopwoningen steeds bepalender. Bijvoorbeeld in Watergraafsmeer zijn er inmiddels weer meer ‘witte’ kinderen. In Slotermeer blijft het allochtone gehalte hoog en het blijven daarmee de minder bedeelden. Het gevolg hiervan is dat die buurten in een negatieve spiraal terecht komen; onderwijs en andere voorzieningen zijn daar minder goed.
Tenslotte is er sprake van een krimpende regelgeving, gepaard met een kleinere sociale sector. Huishoudens met een lager inkomen moeten dus steeds meer zelf zien te betalen en dus komen ze opnieuw in een negatieve spiraal terecht. De stigmatisering wordt erdoor versterkt.”

“De overgang naar een diensteconomie, selectieve immigratie, de woningmarkt en een kleinere sociale sector veroorzaken de Amsterdamse tweedeling.”

Purmerend
“Drie vragen zijn nu belangrijk voor Amsterdam: hoe erg is de tweedeling, wat kunnen we eraan doen en wat moeten we eraan doen? Volstrekte inkomensgelijkheid is geen nuttig doel, dat is onbegonnen werk. Belangrijk is om breder te kijken, bijvoorbeeld naar Purmerend. De ongelijkheid van Amsterdam gaat namelijk verder dan de Ring, het heeft ook met sociale mobiliteit te maken. Meer naar buiten toe.”

Centrum of de Bijlmer
“Een situatie waarin kinderen van ouders met weinig kansen net zo slecht bedeeld zijn is niet wenselijk. Nu is dat wel zo. Kinderen met rijke ouders komen ook later, tijdens hun studie, terecht in een woning in Centrum. Armere kinderen moeten het doen met een woning in de Bijlmer of Diemen, als ze geluk hebben. Daar begint het al, die tweedeling.”

Afnemende solidariteit
“Een probleem is de afnemende solidariteit van mensen. Wat tegenwoordig veel gezegd wordt is: ‘Ik heb mijn geld verdiend, zij niet.’ Dat is echt te makkelijk. In werkelijkheid spelen veel meer zaken een rol. Door die afnemende solidariteit kun je op basis van demografische gegeven vrijwel zeker voorspellen op welke partij iemand stemt; men kijkt weg van de stadsproblemen en stemt op de partij die hem- of haarzelf het beste uitkomt. Dat is een slechte ontwikkeling.”

“Men kijkt weg van de stadsproblemen en stemt op de partij die hem- of haarzelf het beste uitkomt.”

Troonopvolger D66
“Na een eeuw sociaaldemocratie in Amsterdam was het nu tijd voor wat anders. Dat D66 troonopvolger is geworden van de grootste partij, is voornamelijk te verklaren door het moderne imago. Vooral bij witte jongeren valt dit in de smaak.
Waarschijnlijk zal de macht van D66 goed uitpakken voor ZZP’ers en starters. Hoog opgeleide, rijke jongeren lijken er met de huidige coalitie het beste vanaf te komen. Jongeren die persoonlijke problemen hebben en kansarmer zijn, zijn er nog minder goed vanaf dan voorheen.”